‘Cinema is de ultieme zombie’

Cinema ZED breidt uit: de revival van de arthouse?

11 February 2017
Artikel
Auteur(s): Gilles Michiels
In januari opende de Leuvense Cinema ZED twee nieuwe zalen in de Vesaliusstraat. Haar voorbeeld krijgt elders in Vlaanderen navolging. Is de arthousebioscoop bezig aan een onverwachte opmars?

Leuven is niet de enige Vlaamse stad die inzet op arthouse. In Mechelen bouwt Lumière een feestzaal om tot bioscoop en haar Brugse vestiging krijgt er een zaal bij. Het nieuws is opvallend, want volgens cinefiele onheilsprofeten leek het filmtheater al jaren op zijn laatste benen te lopen.

De arthousebioscoop, was dat niet die plek waar aan een goed weggestoken onthaal een eenzaat met een popcornallergie bij de betere film zat te zweren? Met dat elitaire imago valt het tegenwoordig goed mee. Over het algemeen profileert de arthousecinema zich door films met een grote diversiteit en een eerder artistiek karakter te vertonen die op een kleiner, specifieker publiek mikken dan de - vaak Amerikaanse - mainstream film. De scheidingslijn wordt echter nooit scherp getrokken: producties als Carol of King of the Belgians, vorig jaar in ZED te zien, halen ook het Kinepolisscherm.

De bioscoop in moeilijkheden

Dat de bioscoop an sich minder volk trekt, is al decennialang geen nieuws meer. Tekenend is dat van de 1.500 zalen waarover ons land in de jaren 60 beschikte, er in 1990 maar een dikke 400 overbleven. De laatste jaren daalt het bioscoopbezoek nog steeds, met 5,1% tussen 2010 en 2014. Al viel er in 2015 weer een stijging op te tekenen.

De verklaring van de dalende tendens ligt voor de hand: niet alleen zijn de mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding toegenomen, ook het aantal kanalen voor het bekijken van films schoten de lucht in. De gemiddelde filmbezoeker is flexibeler en kan ook buiten de zalen aan zijn trekken komen, zonder het geld voor de steeds duurdere tickets te moeten ophoesten (een stijging van 33% tussen 2006 en 2015). Bovendien legde het internet nieuwe spelregels op, waardoor het aanbod groter is geworden, ook illegaal beschikbaar is en onafhankelijke filmmakers hun publiek rechtstreekser kunnen bereiken.

Vlaanderen telt slechts zeven arthousebioscopen. In Nederland zijn dat er meer dan honderd, in Frankrijk meer dan duizend

Kortom: de moderne bioscoop moet zich heroriënteren. Voor de arthouse in ons land komt daarbij dat ze moet opboksen tegen de dominantie van grote commerciële ketens zoals Kinepolis. Volgens filmcriticus Dave Mestdach heeft Vlaanderen daar een structureel probleem: ‘Nergens is een keten zo dominant.’ Kinepolis Group, van wie stamvader Albert Bert en zijn schoonzus Rose Claeys in de jaren 70 de eerste Belgische multiplexbioscopen oprichtten, vertegenwoordigde in 2014 alleen al de helft van de omzet van de exploitatiesector.

De komst van Kinepolis heeft ook in Leuven bijgedragen tot de terugdringing van de arthouse. De Studio Filmtheaters, twee cinemacomplexen die sinds 1968 het leeuwendeel van het lokale arthouseaanbod voor hun rekening namen, zagen hun bezoekers in het laatste decennium drastisch afnemen. Terwijl de Studio’s in 2001 nog meer dan 200.000 toeschouwers naar de film lokten, bleef daar zes jaar later nog niet de helft van over. In 2010 sloot de familie Rastelli haar Leuvense vestiging, ondanks een petitie met meer dan 8.000 handtekeningen.

Vlaamse dwerg

Nu dus de revival? Als koning eenoog van de Leuvense arthouse zag Cinema ZED zijn bezoekers in een aantal jaar met 50% toenemen. De enige zaal waarop Fonk, de vzw achter de cinema, teerde, telde echter nog geen honderd zitjes en kon de aderlating onmogelijk volledig compenseren. Zelfs mét de nieuwe twee zalen kan ZED zich niet meten met de grootste zaal van de Studio cinema’s, een kolos van 551 plaatsen.

Van een echte revival kun je dus moeilijk spreken. ‘Als je over een herleving spreekt, moet de arthouse film natuurlijk eerst geleefd hebben’, zegt Mestdach. Zoiets is sterk uitgedrukt: Vlaanderen telt slechts zeven arthouse cinema’s, met daaronder drie gesubsidieerde non-profitorganisaties, zoals Fonk vzw, dat ook met kunstencentrum STUK samenwerkt. Ter vergelijking: Nederland beschikt over zo’n 106 arthousezalen, terwijl er in 2014 in Frankrijk 1088 werden geteld. ‘Dat komt zeker niet door een betere filmcultuur’, vindt Mestdach. In tegenstelling tot de buurlanden, maar ook Brussel en Wallonië, krijgt het gros van de exploitatiesector in Vlaanderen geen overheidssteun.

Cultuurcentra bereiken met hun filmaanbod momenteel evenveel toeschouwers als arthousecinema's

Welke meerwaarde biedt de cinema tegenover de ‘thuisbioscoop’, illegale streaming en downloads? ‘Om je te onderscheiden van die alternatieven kun je als cinema twee keuzes maken’, zegt Johan Van Schaeren, oprichter en coördinator van vzw Fonk. ‘Ofwel kies je zoals Kinepolis voor een betere techniek, 3D, eten en drinken, ofwel moet je zoals de meeste arthouse bioscopen kiezen voor een betere omkadering. Je kunt dat doen door films te laten inleiden door een regisseur, maar ook door een sociale omkadering, door de bioscoop in een stedelijke sfeer in te bedden met cafés.’ Dat gebeurt in STUK en zal ook bij ZED Vesalius het geval zijn.

Cultuurcentra: de toekomst?

In de lokale verankering kan de toekomst liggen van de kleine bioscoop. ‘Bij gebrek aan Vlaamse financiering moeten arthousecinema’s bij de stad aankloppen’, erkent Pierre Drouot, directeur van het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF). ‘De initiatieven die nu in Leuven en in Mechelen opkomen, hebben veel met lokale financiering te maken.’

Wie geen geld van bovenaf krijgt, moet volgens Drouot de bestaande structuren meer gebruiken. Naast de grote ketens, de schaarse kleine cinema’s en de arthousebioscopen is daar nog een speler: de plaatselijke cultuurcentra. Vlaanderen telt er ongeveer zeventig, waarvan min of meer de helft regelmatig films vertoont. Kunnen zij het beperkte arthouseaanbod aanvullen?

Een interessante denkpiste, aldus Drouot. Uit onderzoek van het VAF bleek dat de cultuurcentra, de filmfestivals buiten beschouwing gelaten, evenveel toeschouwers bereiken als de arthousebioscopen. ‘De lokale cultuurcentra werden in de jaren 60 en 70 opgericht voor de podiumkunsten. Sindsdien is men film meer als kunstuiting gaan zien, waardoor er ook sporadisch films werden geprogrammeerd. Op die manier vervingen ze enigszins de vroegere dorpsbioscoop.’

Dat de centra meer in de lijn van de arthouse komen te liggen, heeft volgens Van Schaeren alles te maken met de digitalisering van de filmkopie. ‘Films zijn databestanden geworden, waardoor operatoren van cultuurcentra niet meer moeten wachten om filmkopieën van een arthousebioscoop te krijgen.’

Al ligt daar ook een potentieel probleem, zegt Drouot. ‘Cultuurcentra vragen doorgaans maar 5 tot 7 euro voor een film. Als zij naast arthousecinema’s komen te staan en gelijktijdig, in first release, zouden draaien, krijg je oneerlijke concurrentie.’ Van Schaeren relativeert voorlopig die zorgen. ‘De meeste van de cultuurcentra die films vertonen liggen ver van de stedelijke arthousecinema’s.’

Feit is dat lokale initiatieven zoals cultuurcentra de arthousefilm meer mogelijkheden kunnen bieden. Wie nu 50 kilometer moet afleggen om een bepaalde film te zien, kan dat zo ook dichter bij huis doen. Wat de toekomst van de cinema betreft is Dave Mestdach alvast positief gestemd. ‘De bioscoopervaring heeft een niet te kopiëren karakter. Cinema is onuitroeibaar: de ultieme zombie.’