Kaddisj voor een kech

Splinter

02 mei 2018
Splinter
Auteur(s): Jan Costers
Dat de pen machtiger is dan het zwaard is al eeuwen bekend, maar kent in het hedendaagse sociale medialandschap hoogdagen. Vooral omdat (digitale) inkt verder stroomt dan bloed.

‘Why should your right to freedom of speech trump a trans-person’s right not to be offended?’ De internauten onder ons herkennen ongetwijfeld de set-up van een meme die in januari het licht zag. Cathy Newman die Jordan Peterson ondervraagt over zijn harde taal in de media tegen transgenders, waarbij hij de vraag omdraait en vraagt waarom zij hem mag beledigen en hij anderen niet. Newman staat met haar mond vol tanden.

Ik ga niet akkoord met veel wat de man zegt, maar daar heeft hij wel een punt. In onze maatschappij zien we vrijheid van meningsuiting als hoogste goed. Iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil. De énige voorwaarde is natuurlijk wel dat het strookt met wat we zelf geloven, of waar we zelf achterstaan. Anders zijn we ‘offended’. En tegenwoordig heeft diegene die zich beledigd voelt altijd gelijk. Vooral omdat die vertegenwoordigd wordt door een leger sociale soldaten die via de publieke opinie hun tegenstander met de grond gelijk maken.

Want de evolutie van de sociale media geeft iedereen een platform en een netwerk om hun gedachten te delen, maar we zijn uit het oog verloren dat die gelijk opging met de groei van onze tenen. En in plaats van er iets aan te doen, zijn we blootsvoets beginnen lopen. De meerderheid van ons volgt de massa en marcheert waar de bevelhebbers ons naartoe wijzen. ‘Gij zult de toorn van onze volgers voelen. Biedt al knielend en schreiend uw excuses aan of de (publieke) schandpaal zal uw deel zijn.’

In de vorige Veto werd door Annick De Ridder nog de lofzang gezongen over Twitter, omdat het mensen dichter bij elkaar kan brengen. Maar de keerzijde van die medaille is soms zwaarder dan we beseffen. Mensen onderschatten te vaak de kracht van de anonimiteit. En dan bedoel ik niet de ‘offenders’ die verstopt zitten achter avatars en schuilnamen, maar het mikpunt van hun haatcampagnes. Mensen worden herleid tot een afbeelding, een naam, een term.

En dan is het gemakkelijk om mee te gaan met de stroom tweets en HLN-reacties, met hashtags als #strijdwapens. Damso en Boef worden in één klik vrouwenhaters (terwijl we wel nog vrolijk op Chris Brown dansen). Mensen als Pewdiepie en Mark Meechan worden beoordeeld op basis van de kop van een artikel en als extreemrechts bestempeld (maar een paar jaar geleden waren we nog allemaal Charlie). En dit gaat ook niet over links zijn, of rechts, of Millenials of Babyboomers. Te gemakkelijk laten we ons leiden door de massa, en staan niet stil bij de gevolgen. Afbranden en doorgaan naar de volgende boycot, meneer. Het leven raast immers voorbij.

Vanuit onze anonieme ivoren torens is het ook gemakkelijk om rechter te spelen. ‘Wie denkt die Aron Berger wel niet dat hij is, dat hij onze uitgereikte hand niet wil aannemen?’ Dat strookt toch niet met onze Vlaamse waarden klinkt het bij onze schildvrienden (wat die waarden dan wel precies zijn, kunnen ze ons nog altijd niet zeggen – een wegwerpmaatschappij hoeft geen oplossingen te bieden). Maar misschien zouden we die hand beter eerst in eigen boezem steken, voor we onze virtuele pennen slijpen. En misschien zouden we die smartphoneschermen dan even als (zwarte) spiegels kunnen gebruiken. Hij die zonder zonde is, werpe immers de eerste steen.