Het laatste 'consilium abeundi' (definitieve
wegzending) dat aan de KU Leuven is uitgesproken, dateert van februari 1967. Na het
verschijnen van een aantal seksartikels in het verbondsblad van het toen nog vrij linkse
KVHV, kreeg toenmalig hoofdredakteur Ludo Martens van vice-rektor Monseigneur
Maertens "de raad om de universiteit te verlaten". Het vonnis werd echter
nooit formeel uitgesproken en Martens zou ook nooit de kans gekregen hebben om
zich te verdedigen voor de Akademische Raad.
Op 3 februari 1967
verscheen van 'Ons Leven' een karnavalnummer dat -- zo stond op de achterpagina te
lezen -- "ook een beetje een seksnummer" was. Wie het weekblad
opensloeg, werd gekonfronteerd met een aantal artikels, waar vermoedelijk zelfs de
huidige akademische overheid niet meteen mee opgezet zou zijn. In twee van de
teksten werd het priesterselibaat zwaar op de korrel genomen. Op onverbloemde wijze
debiteerde redakteur Alfons Verkoren een oorzakelijk verband tussen de seksuele
frustraties van selibatairen en de gestrengheid waarmee de universitaire tucht
gehandhaafd werd. Meer bepaald de regel die verbood dat "studenten en
studentinnen elkaar op kamer zouden ontvangen", werd daarbij gehekeld:
"De selibatair die een ander niet gunt wat hij zelf niet mag, neemt min of meer
wraak op zijn eigen onmacht".
Bovendien werd de toen heersende
opvatting dat homoseksualiteit niet meer is dan een "sublimatie van het
verdrongene", ingeroepen om zogenaamd perverse gedragingen van de
geestelijke te verklaren: "Wie van ons kreeg er nooit tijdens een retraitebiecht de
absolutie terwijl zijn hoofd of handen in de schoot van de 'Heilige Vader' gedrukt
werd?"
Staatsveiligheid
In het licht van de toen
geldende moraal lijkt het niet meer dan logisch dat Ludo Martens, onder wiens
redaktionele goedkeuring de stukken waren gepubliceerd, vanwege het toenmalige
akademisch 'establishment' de wind van voor kreeg. Hij werd door vice-rektor
Maertens ontboden die hem meedeelde "dat hij het volgende jaar best aan een
andere universiteit ging studeren." Hoewel een 'consilium abeundi' niet werd
uitgesproken, bleek het hier in de praktijk wel op neer te komen.
In 'Ons
Leven' van 21 februari 1967 geeft Martens zijn versie van de feiten en kondigt meteen
ook zijn ontslag als hoofdredakteur aan. Paul Goossens, op dat moment preses van het
Verbond (en later ondermeer hoofdredakteur van De Morgen), neemt zijn plaats in. In
een artikel met als titel 'Staatsveiligheid, universiteitsveiligheid' laakt hij de reaktie van
KU Leuven en grijpt de feiten aan om de strijd voor inspraak van de student in het
universitair beleid nog op te voeren. Op de voorpagina van nog een editie verder (2
maart) worden de reakties van diverse professoren op het voorval gesiteerd,
waaronder die van toenmalig rektor De Somer -- "De dertig procent die niet
katoliek zijn --moeten hier buiten" en vice-rektor Monseigneur Maertens:
"Ik mag ook geen meisjes op mijn kamer ontvangen".
Links
Het lijdt geen twijfel dat de artikels
in 'Ons Leven' bij de akademische overheid in het verkeerde keelgat geschoten zijn en
dat ze ontegensprekelijk de aanleiding hebben gevormd voor de wegzending. Toch kan
men zich de vraag stellen of het bewuste seksnummer op zich de feitelijke reden was,
dan wel of het de druppel is geweest die, gezien de kwalijke reputatie van Martens in
die tijd, een emmer vol ergernissen heeft doen overlopen. De man zelf, momenteel
hoofdredakteur van het marxistische tijdschrift Solidair, sluit zich uitdrukkelijk aan bij
die laatste interpretatie: "Het was de algemene strekking van 'Ons Leven' die veel
kwaad bloed heeft gezet. Zo herinner ik mij een uitgave waar op de voorpagina een
onnozel iets heeft gestaan met wat kritiek op de paus. Dat was er ook al te veel
aan." Bovendien ziet hij het tijdschrift 'Ons Leven' niet zozeer als het blad van het
KVHV -- hoewel het dat officieel wel was. "De helft van 'Ons Leven' van 1966
en 1967 staat volgeschreven met programmatische teksten en diskussies rond de
noodzaak van de oprichting van de Studenten Vak Beweging (SVB). Dat was een
soort syndikaal-politieke beweging, die pleitte voor een dubbele mobilisatie: enerzijds
rond de direkte belangen van studenten, anderzijds rond de sociale en politieke
problemen van die tijd. Wat de KU Leuven waarschijnlijk het meest op de lever lag,
was dat we zogenaamde 'kommunistische propaganda' maakten." Hierop
alludeerde Monseigneur Maertens wellicht, toen hij Martens als reden voor zijn
beslissing opgaf dat "diens ideologieën niet samengingen met de
grondslagen van de universiteit, welke men erkent door het feit zelf dat men zich
inschrijft aan een katolieke universiteit."
Martens werd dus gezien als
een subversief element die men in al zijn dissidentie liever zag gaan dan komen. Een
tweetal elementen rondom de zaak van het seksnummer lijken die stelling nog te
onderbouwen. In 1966 sirkuleerde in akademische kringen een nota, waarin Martens
en Goossens -- reeds een jaar vóór de feiten -- beschreven worden als
"twee linkse mensen uit de Verbondsleiding die de boel op stelten willen
zetten." Blijkens datzelfde dokument zouden zij de ruiten van het buro van
Monseigneur Maertens ingeworpen hebben.
Formeel
Een tweede gegeven, dat toch
wel bezwarend is voor de universitaire verantwoordelijken van toen, is dat er rond de
zaak 'Martens' nooit enige officiële uitspraak is gedaan, hoewel de praktische
konsekwenties ervan wel zijn uitgevoerd. Dit blijkt uit een brief die Martens in
november 1968 schrijft aan de vice-rektor. Hierin stelt hij het gebrek aan een formele
aanklacht omtrent zijn wegzending aan de kaak en eist hij zijn 'recht op informatie' op.
"Na een jaar ingeschreven te zijn in Amsterdam, wilde ik mij in oktober 1968
opnieuw aan de KU Leuven inschrijven, maar dat werd geweigerd. Die brief is
één van de stappen geweest om de zaak terug aanhangig te maken.
Hierop heb ik echter nooit persoonlijk een antwoord gekregen. Over de grond zelf van
de zaak is mij nooit formeel uitsluitsel gegeven." Nochtans stootte Veto in het
tabularium van de centrale biblioteek op een 'vertrouwelijk' dossier van het vice-
rektoraat rond de zaak. Hierin bevond zich een brief van rektor De Somer die gericht
was aan "De Heer Ludo Martens" met de volgende boodschap: "De
(Akademische, nvdr) Raad heeft (...) moeten vaststellen dat uw ongedateerde brief,
(...), geen enkel element bevat dat een herziening wettigt van de vroeger genomen
beslissing." Verder werd, in tegenstelling tot wat Martens een dik jaar terug van
de vice-rektor had vernomen,gesteld dat "deze beslissing geenszins werd
getroffen op grond van de ideologie welke u gemeend hebt thans in uw schrijven te
moeten ontwikkelen." Het is echter niet uit te maken of deze brief ooit effektief
verzonden werd aan Martens.
Vermoedelijk is het precies de hele informele
sfeer die ervoor gezorgd heeft dat Martens zich ook nooit heeft kunnen verdedigen.
"Het enige wat ik mij in dat verband herinner is dat er ooit een bijzondere zitting
is geweest van de Akademische Raad rond mijn zaak (dit is vermoedelijk de zitting
waarvan sprake in de brief van De Somer), maar ik meen dat dat een gesloten
vergadering was. Uit protest hiertegen hebben we dan met honderdvijftig man het
rektoraat bezet. Ik heb mij dus nooit officieel kunnen verdedigen."
Inhoud