Kots-à-projets: nieuwe wijn in oude zakken?

De universiteit stemt schoorvoetend in

December, de laatste maand van het oude jaar. De maand waarin de universitaire overheid na ellenlange diskussies eindelijk het fiat gaf voor de start van de projekthuizen. Wat houden die projekthuizen eigenlijk in? Waarin verschillen ze van gemeenschapshuizen? Zijn de kots-à-projets een goedkope imitatie van het systeem zoals het in Louvain-la-Neuve bestaat, of was het de enige mogelijkheid om het bestaande aanbod aan gemeenschapshuizen in Leuven uit te breiden?

De vraag naar gemeenschapshuizen laat zich in Leuven al geruime tijd sterk voelen, vanuit twee verschillende bekommernissen. Ten eerste zijn het vooral ouderejaars die deze vraag stellen. De konklusie van de Raad van Studentenvoorzienigen ligt dan ook voor de hand: vooral ouderejaarstudenten voelen zich aangetrokken tot gezinsbenaderende woonvormen. Aangezien het bestaande aanbod aan gemeenschapshuizen veel te beperkt blijkt, wil de akademische overheid haar steentje bijdragen om het bestaande aanbod aan gemeenschapshuizen in Leuven op te drijven. Ten tweede is men ook van plan een gemeenschappelijk leitmotiv aan de woongroep mee te geven. Door rond een voor de Raad interessant projekt in de sfeer van demokratisering, milieu, solidariteit, kultuur, sport, integratie of andere thema's te gaan werken, hoopt men de studenten in de toekomst opnieuw meer samen te brengen. Zo slaat men twee vliegen in een klap.

Het bestaande aanbod aan gemeenschapshuizen uitbreiden dus?! Daarvoor dient men echter huizen aan te kopen. En hier wringt het financiële schoentje. De aankoop van bijkomend patrimonium is een beslissing die gevolgen heeft op andere domeinen. Immers, indien men geld vraagt voor aankoop van nieuwe gebouwen, dient men automatisch te besparen op andere posten als groot onderhoud, voeding, gezondheid en sociale dienst. Hierbij komen dan nog eens een aantal twijfels, gestoeld op negatieve ervaringen uit het verleden.

Afgeleefd

Die negatieve ervaringen met gemeenschapshuizen dateren vooral uit de jaren zeventig en tachtig. Ook toen eksperimenteerde de huisvestingsdienst met gemeenschapshuizen. Dit bezorgde de universitaire overheid echter een serieuze kater. De huizen die de universiteit huurde en verder onderverhuurde aan studenten werden op de kortst mogelijke tijd afgeleefd. Op die manier ontstonden er ernstige problemen bij het verlaten van de huizen. De eigenaars eisten immers dat men de huizen in de oorspronkelijke staat terug zou overdragen. Dit bleek meermaals problemen te geven en de les die de universiteit hieruit trok, was dan ook dat er voor een projekt rond gemeenschapshuizen een strikte opvolging noodzakelijk is.
Het schrikbeeld van het afgeleefde en slecht onderhouden gemeenschapshuis bleef tot op heden bestaan en beïnvloedde de diskussies allesbehalve positief. De universiteit eiste dan ook een aantal garanties vooraleer ze mee in het bootje van de themahuizen zouden stappen. Deze garanties werden uitgewerkt onder de vorm van een aantal tegenprestaties. De vraag om zich in te zetten voor een groep van medestudenten volstond in de ogen van de unief niet langer. Potentiële bewoners zouden zich in de toekomst ook voor een thema van algemeen belang moeten inzetten. Op die manier koppelt men één van de belangrijkste taken van Sociale Voorzieningen -- het kreëren van woongelegenheid -- aan behoeften als begeleiding, integratie en het engagement van studenten in de maatschappij. Een eerste meerwaarde ten opzichte van gemeenschapshuizen dus, die men aan het projekt van de themahuizen tracht mee te geven.
Een andere meerwaarde van de huizen ligt op het gebied van waarden en waardenbeleving. Twee zaken die de katolieke intellektueel -- zoals hij in de natte droom van de Leuvense universitaire overheid verschijnt -- toch wel op het lijf geschreven staan. En op welke manier kan dit beter gebeuren dan door het stimuleren van studenten om in een eerste oriënterende fase een stap te zetten naar een waardenbelevende rol binnen de maatschappij? Deze argumenten namen de laatste twijfels rond de start van het projekt weg.
Toch heeft de universiteit voorlopig besloten een afwachtende houding aan te nemen. Deze terughoudendheid is vooral te wijten aan het feit dat de KU Leuven voor volgend jaar nog niet bereid is zware investeringen door te voeren. Wel zullen er in een aantal residenties die aan groot onderhoud toe zijn drie verdiepingen ter beschikking van het projekt gesteld worden. Op die manier zullen een dertigtal mensen onder de wakende ogen van de universiteit vanaf volgend jaar de kans krijgen om rond drie projekten te werken. Indien ze erin slagen deze taak tot een goed einde te brengen, wordt er gedacht aan de uitbreiding van het projekt. Hiervoor zullen er echter eerst een aantal andere financiers gevonden moeten worden.
Wim Van der Meersch


Inhoud