Het akademisch personeel over de man-vrouwproblematiek aan de KU Leuven

"De gemiddelde mama werkt veel efficiënter dan sommige academici"

De voorstelling van het eerste Gelijke-Kansenrapport kan ook bij het akademisch personeel op heel wat aandacht rekenen. Hoe zien assistenten en docenten de verhouding tussen man en vrouw op hun fakulteit en wat verwachten ze van deze eerste stap richting gelijkheid? Een informele babbel over dit onderwerp met Caroline Van Schoubroeck, Kaat Wils, Bart Maddens, Sabien Vanlangendonck en Conny Aerts, allemaal werkzaam aan de KU Leuven, ontaardde in een heus interview over vooroordelen, waarden, verplichtingen en kinderopvang.

Veto: Het rapport ziet vooral de vaste benoemingen als het struikelblok waarbij veel vrouwen sneuvelen. Heeft die lage benoemingsgraad van vrouwen ook te maken met het zelfbeeld dat vrouwen hebben?
Van Schoubroeck: «Dat is alleszins niet het geval in de rechtenfakulteit, want daar dienen bijna alle vrouwen die doktoreren een aanvraag tot vaste benoeming in. Het is wel zo dat je als vrouw in bepaalde omstandigheden, zoals bijvoorbeeld op vergaderingen, a fortiori tegen bepaalde vooroordelen moet opboksen. Als een man zijn mond opendoet, gaat men er sneller vanuit dat hij een zinnige inbreng levert, terwijl een vrouw eerst moet bewijzen dat zij iets te vertellen heeft. Daarom zou het nuttig zijn dat er ook vrouwen in de beoordelingskommissies zitten. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat de ingediende dossiers van vrouwen beter moeten onderbouwd zijn dan die van mannen. Er zijn ook weinig vrouwelijke promotoren; misschien verhoogt dit ook de drempel bij heel wat vrouwen.»

«Er zou meer openheid moeten zijn bij het toekennen van vaste benoemingen, en niet alleen bij vrouwen. De benoemingskommissies zouden vaker hun motivering ekspliciet moeten verwoorden en hun geheimhouding niet zo strikt interpreteren, om misverstanden te voorkomen. Dat kan natuurlijk nooit een volledige oplossing zijn, aangezien er inderdaad vaak ook onbewuste motieven een rol spelen in het niet-benoemen van vrouwen. En hoe kontroleer je zoiets?»
Kaat Wils: «Vrouwen hebben, door hun gezinsleven, ook minder kansen om informele kontakten te leggen, of om in allerlei vergaderingen te zetelen. Net die dingen kunnen belangrijk zijn bij een eventuele benoeming.»
«Het heeft veel te maken met een soort mentaal profiel dat mensen van elkaar hebben en daar kan je niet echt een vinger op leggen. Onderzoek heeft wel uitgewezen dat mannengroepen eerder geneigd zijn om voor mannen te kiezen, zonder dat daar ekspliciete redenen een rol spelen. Het beeld dat men heeft over bijvoorbeeld 'leiderschap' en 'gezag' heeft ook een belangrijke invloed. Die dingen zijn vooral maatschappelijk bepaald, het is zeker geen probleem van de KU Leuven alleen. Maar de KU Leuven zou hier wel een voorbeeldfunktie moeten vervullen.»
Veto: Welke faktoren spelen een rol bij de vaste benoeming van een assistent?
Aerts: «In het begin is de relatie met de promotor ontzettend belangrijk. Ook carrièreplanning is van het grootste belang. Voor een mannelijke student wordt van bij het begin een hele carrière uitgestippeld, terwijl men bij een vrouw gaat afwachten of ze kinderen gaat krijgen, ook al is ze veel beter dan haar mannelijke collega. Vrouwelijke assistenten hebben ook meer aanmoediging nodig. Als een mannelijke en een vrouwelijke student even goede resultaten halen, dan vindt men de man een genie, en heeft de vrouw zogezegd gewoon heel hard gewerkt.
Veto: Welke maatregelen neemt de universiteit om het voor personeelsleden met een gezin enigzins gemakkelijker te maken?
Van Schoubroeck: «Sommige dingen kan je moeilijk veranderen. De werkdruk spreiden is vaak niet mogelijk, maar men kan vergaderingen wel beter plannen. Die kunnen op gezinsvriendelijke uren, bijvoorbeeld van twee tot vier uur, worden gehouden en de woensdagnamiddagen kan men proberen vrij te houden.»
Veto: Hoe pakken jullie die dingen aan binnen jullie eigen gezin?
Van Schoubroeck: «Ik heb mijn gezin en mijn werk vooral kunnen kombineren omdat ik, financieel gezien, de mogelijkheid had om dingen als de opvang van de kinderen wat te organiseren. Eigenlijk teren we hiervoor op het inkomen van mijn man. Ik heb mijn drie kinderen aan de opvang van de KU Leuven toevertrouwd. Die is heel goed, maar is wel maar voor kinderen tot zes jaar bedoeld. Ik zou het dan ook geen slecht idee vinden als ze dit zouden uitbreiden naar kinderen tot twaalf jaar.»
Aerts: «Het wordt inderdaad moeilijker als de kinderen ouder worden, omdat je dan rekening moet houden met naschoolse opvang. Mijn man en ik proberen dat een beetje te verdelen, maar ik denk dat het grootste deel van het werk nog altijd op mij neerkomt. Maar dat komt doordat mijn man moet pendelen. Het heeft niets te maken met het feit dat ik de moeder ben. Man en vrouw moeten eerst binnen het gezin zelf een bepaalde verdeling vinden.»
Bart Maddens: «Het wordt sociaal nog altijd minder aanvaard als je als man vroeger van een vergadering weggaat om je kinderen af te halen, of als je je gezin als reden opgeeft om niet naar een vergadering te komen. Dan word je wat meewarig bekeken.»
Veto: Zou een zevende, supplementair jaar voor een doktoraat eventueel een uitkomst kunnen bieden, bijvoorbeeld in geval van zwangerschap?
Aerts: «Ik heb twee zwangerschappen achter de rug, met telkens vijf maanden verlof. Dat is niets als je het bekijkt op een carrière van veertig jaar. Ik heb wel geluk gehad omdat bij mij de keuze aan mij werd gelaten en niet aan mijn diensthoofd. Voor heel wat vrouwelijke assistenten blijft het echter een probleem. Statutair kan het aangevraagd worden, maar je hangt altijd af van de goodwill van je diensthoofd. Dat geldt ook voor de mogelijkheid tot een zevende jaar. Die bestaat, maar veel diensthoofden willen daar niet aan meedoen omdat ze dan een jaar moeten wachten vooraleer ze iemand nieuw kunnen aanwerven.»
Veto: Kunnen alternatieven zoals thuiswerk en deeltijds werk een oplossing bieden voor de stijgende werkdruk?
Aerts: «Ikzelf kan thuis veel rustiger aan een publikatie werken. Voor de rest hangt het af van je instituut en je diensthoofd of promotor. Het probleem is wel dat het bij de beoordelingskommissie een negatieve invloed kan hebben als die mensen je weinig gezien hebben, hoewel dat volledig onterecht is.»
Van Schoubroeck: «Deeltijds werk kan wel degelijk een oplossing zijn, zonder dat dit een invloed moet hebben op de geleverde prestaties. De werkdruk is de voorbije jaren sterk gestegen. De werktijden worden steeds langer en men vraagt ook steeds meer dat men buitenlandse konferenties bijwoont en veel publiceert. De vraag is in hoeverre dat allemaal echt bijdraagt tot de kwaliteit van het onderzoek.»
Aerts: «De meningen over deeltijds werk zijn heel erg verdeeld. Het maakt de fleksibiliteit groter, maar het beleid ziet het niet zitten voor academici. Volgens mij kan het wel, maar dan moet het wel heel goed georganiseerd zijn. Men moet dan bij de evaluatie effektief rekening houden met het feit dat iemand parttime werkt. Omdat vooral vrouwen voor deeltijds werk gaan kiezen, zou dit hun kansen op promotie wel eens kunnen verlagen. Maar nu is het zo dat veel vrouwen stoppen omdat ze het niet kunnen volhouden. Door deeltijds te werken zouden zij het wel halen. En er zijn overigens ook heel wat jonge papa's die hier voor te vinden zijn.»
Veto: Is de universiteit niet eerder gezinsonvriendelijk dan vrouwonvriendelijk?
Maddens: «Het heeft veel met waarden te maken. Vergaderingen worden wel verplaatst als ze samenvallen met lessen, maar niet omwille van gezinsaangelegenheden. Het gaat dus over meer dan een universitaire kultuur, het heeft ook met maatschappelijke normenstelsels te maken. Ook voor mannen betekent een gezin een tijdsinvestering. Je tijdsbudget wordt sterk ingekrompen. Je wordt ook op steeds meer dingen geëvalueerd. Zo weegt de onderwijsopdracht steeds zwaarder door in de benoeming en bevordering van een docent, dus moet je daar ook nog eens meer tijd insteken. De kompetitie neemt steeds meer toe. Hoe meer tijd iemand heeft, des te groter zijn voorsprong.»
Aerts: «De werkdruk is groot, maar het hangt er ook vanaf hoe je dat invult. Het heeft alles met efficiëntie te maken en niet met het aantal uren dat je klopt. Men denkt dat iemand die veel tijd op zijn buro doorbrengt, heel hard werkt. Daarom schuift men ook het zestig-urenmodel naar voren. Daar doe ik dus niet aan mee. Ben ik daarom een slechte prof? Je moet kijken naar de efficiëntie van een persoon, en ik denk dat de gemiddelde mama veel efficiënter werkt, gewoon omdat ze moet.»
Sabien Vanlangendonck: «Aan de universiteit werk je zoveel als je zelf wilt. Ik heb toevallig een vrij uitgebreide onderwijsopdracht omdat ik ook monitor ben. Daarnaast moet je nog aan je doktoraat werken en verwacht men geregeld publikaties. Uit een onderzoek is gebleken dat vrouwen iets meer tijd steken in onderwijs en studiebegeleiding. Voor je CV is dat nadelig, omdat je vooral geëvalueerd wordt op je wetenschappelijke bijdrage.»
Veto: Sommigen denken dat het lage aantal vrouwen in hogere funkties aan de universiteit zichzelf wel zal oplossen nu de instroom van vrouwen groter is.
Wils: «De voorbije twintig jaar was er niet echt een toename van vrouwen bij het hoger zelfstandig akademisch personeel, hoewel het aantal vrouwelijke studenten sterk is gestegen. Sensibilisering is daarom heel belangrijk. Het probleem moet worden aangetoond en bespreekbaar worden. Bij elke beslissing die op bestuursvlak genomen wordt, moet men zich afvragen wat de gendereffekten zijn.»
Veto: Volgens het rapport begint het probleem ook deels bij de student. Merkt u bij uw studenten een groot verschil tussen de jongens en de meisjes?
Van Schoubroeck: «Meisjes zijn vaak minder extravert dan jongens. Ze hebben nog steeds minder zelfvertrouwen en zijn bang om zich belachelijk te maken. Maar ze beginnen zich wel meer te profileren. Kijk maar naar de studentenbeweging. Meer meisjes gaan in het presidium omdat ze meer durven en meer overtuigd zijn van hun eigen kunnen.»
Aerts: «Zelf heb ik als student nooit enig nadeel ondervonden van mijn vrouwzijn. Studenten zijn daar veel minder mee bezig, omdat zij veel minder met die problematiek gekonfronteerd worden.»
Veto: Denkt u dat initiatieven zoals het Meldpunt voor Gelijke Kansen nuttig zijn?
Aerts: «Ik ben zelf verbonden aan het Meldpunt. De drempel ligt er laag genoeg, maar een nadeel is dat er niet kan worden ingegaan op klachten. Hiervoor moet men bij de akademische ombudsman zijn. Veel vrouwen doen dat niet omdat het een man is. Het voordeel is wel dat er nu een tussenstap is. Wij hadden eigenlijk twee funkties gevraagd: een adviseur en een ombudsvrouw, maar we hebben alleen de eerste gekregen. Ik denk wel dat het meldpunt bij het personeel bekend genoeg is. Voor de studenten daarentegen is er geen duidelijk kanaal waarlangs zij zich kunnen uiten. Er zijn wel ombudsdiensten, maar die houden zich vooral met onderwijs bezig. Er zou dus ook een studentenombuds moeten komen.»
Dominique Biebau
Heidi Van Hout
Nele Spoors


Inhoud