Verbetering studietoelagenstelsel komt in zicht
De beurs wordt beter gevuld
Ludo Sannen, fraktieleider van Agalev in het Vlaams Parlement, heeft een
voorstel tot dekreet klaarliggen inzake studiefinanciering. Met dat
voorstel komt hij gedeeltelijk tegemoet aan een aantal al vaker
geformuleerde eisen van de studentenbeweging, zoals verhoging van de
minimum -en maximumgrenzen van de beurzen en de invoering van de
jokerbeurs. Aangezien ook in de regeringsverklaring van de Vlaamse
Regering al enkele lichtpuntjes in verband met studiefinanciering op te
merken vielen, is er hoop dat het deze keer niet blijft bij mooie frazen.
Een echt studieloon, een oude eis van de studenten, is volgens Sannen
echter politiek nog niet haalbaar.
Met zijn dekreetvoorstel wil Sannen verderbouwen op een resolutie die al
eind 1997 - unaniem - door het Vlaamse Parlement werd goedgekeurd, maar
die tot op heden slechts minimaal werd uitgewerkt in konkrete
regelgeving. Voordien kwam de belangrijkste wetgeving inzake
studietoelagen tot stand in 1971. Maar om redenen van politieke en
financiële haalbaarheid is er sindsdien weinig gewijzigd. De
participatie aan het hoger onderwijs nam echter gestaag toe en in
samenhang met een verder geëvolueerde visie op de demokratisering
ervan veroorzaakte dit een dringende behoefte aan een verbetering van
het systeem.
De op 18 december 1997 goedgekeurde resolutie volgde op een akkoord
dat tot stand kwam in de subkommissie 'studietoelagen' van de
onderwijskommissie van het Vlaams Parlement. Een resolutie heeft evenwel
geen bindende kracht en biedt bijgevolg geen garanties. Het is natuurlijk
wel zo dat een unaniem goedgekeurde resolutie een aanzienlijke druk legt
op de regering en de bevoegde minister om aktie te ondernemen. Toenmalig
Vlaams onderwijsminister Luc Van den Bossche (SP) nam in 1998 effektief
enkele (beperkte) maatregelen. Een grote stap was de automatische
indexering van de studietoelagen, ingevoerd vanaf het akademiejaar
'98-'99. Tot dan toe was de indexering immers wel principieel
goedgekeurd, maar niet formeel vastgelegd in een besluit en dus
gemakkelijk door een in geldnood zittende minister te omzeilen. Ten
tweede werd de minimum inkomensgrens (waaronder je een volledige beurs
krijgt) met tien procent opgetrokken. Gevolg hiervan was een verhoging
van het aantal volledige toelagen, alsook een stijging van het bedrag van
de verminderde toelagen. Deze tien procent werd echter al meteen
ingekrompen omdat de Vlaamse regering besloot alvast één
indexsprong over te slaan.
De overheid kwam ook tegemoet aan een uitbreiding van de
mogelijkheden voor het in rekening brengen van het zogenaamde
vermoedelijke inkomen. Voor behandeling van de aanvraag van de
beurs, hanteert de administratie dan niet het inkomen van twee jaar
geleden als basis, maar het inkomen van het lopende jaar. Op die manier
konden gezinnen uit de nood geholpen worden die met onverwachts
loonverlies -- bijvoorbeeld door ziekte of werkloosheid -- te kampen
kregen.
Maar vanuit de studentenbeweging kwam de kritiek dat die maatregelen
een weliswaar reële maar onvoldoende verbetering van het systeem
betekenden. Ook Ludo Sannen kwam blijkbaar tot die konklusie en wil nu
blijkbaar een stap verder gaan. Volgens de Agalev'er is een blijvend
knelpunt de hoogte van de beurzen. Die blijken namelijk onvoldoende om de
direkte kosten (zoals de huur voor een kot) van een jaar hoger onderwijs
te dekken. Ook Martine Colpaert van de Sociale Dienst van de KU Leuven is
hiervan overtuigd: "Zelfs een maximumbeurs (momenteel 103.500 frank voor
een kotstudent) is ontoereikend om een jaar hoger onderwijs te
financieren. De Sociale Dienst heeft hier noodgedwongen een deel van de
verantwoordelijkheid van de overheid overgenomen door zelf toelagen en
leningen te verlenen."
Momenteel is er een studie in de maak van het Hoger Instituut Voor
Arbeid (HIVA) van de KU Leuven in samenwerking met de Universiteit Gent
over de doelmatigheid van het studietoelagenstelsel en van de reële
studiekosten. Sannen stelt voor om - eens deze sijfers gekend zijn - de
hoogte van de volledige toelage hier op af te stemmen. Belangrijk in het
voorstel van Sannen is ook de voorgestelde aanpassing van maximumgrenzen
die meebepalend zijn voor de berekening van de toelage. Op tien jaar tijd
is het aantal beursgerechtigde universiteitstudenten gedaald van 22,4
procent tot nauwelijks 15 procent, ondanks een stijging van het aantal
studenten en van de studiekost. De oorzaak hiervan is het te laag liggen
van de maximumgrens (waarboven men geen recht meer heeft op een toelage).
Sannen stelt voor deze maximumgrens te verhogen met vijf procent. De
verhoging van de minimumgrens zoals doorgevoerd in 1998 vindt hij
ontoereikend. Hij pleit er dan ook voor ze nogmaals op te trekken.
Een bijkomend probleem stelt zich met de zogenaamde
honderdvijftig-procenttoelage, waarvoor je in aanmerking komt als je
inkomen lager is dan een tiende van de maximumgrens. Tot op heden heeft
dit systeem het vreemde effekt dat als het inkomen enkele franken hoger
ligt dan een tiende van het maximum, dat je plots 'slechts' de gewone
(honderd procent) toelage ontvangt. Om deze absurditeit weg te werken
pleit Sannen voor een progressieve stijging van honderd tot
honderdvijftig procent van de toelage voor inkomens onder het
minimum.
joker
Ook de problemen van de bisstudenten krijgen aandacht van Sannen. Als
je, om welke reden dan ook, je jaar moet overdoen, is het huidige systeem
hard: zonder uitzondering wordt de studietoelage geweigerd. Dit principe
van 'prestatiebeurs' moet worden verlaten. Agalev stelt voor aan iedere
student een jokerbeurs toe te kennen, die dan eenmaal kan
gebruikt worden indien de student zijn toelage verliest om 'technische
redenen'. De jokerbeurs kan ook aangesproken worden als je verandert van
studierichting, want dit staat gelijk aan bissen indien de nieuwe
richting op hetzelfde nivo staat als de vorige.
Rest er nog het probleem met het 'kadastraal inkomen' (KI). Dit KI is
een bedrag dat staat voor de virtuele huuropbrengsten van een woning.
Positief was de invoering - enkele jaren geleden - van het KI als extra
welvaarttoets bij het in overweging nemen van een aanvraag tot toelage.
Het KI mag nu immers maximaal twintig procent van het netto belastbaar
inkomen bedragen, wat een aantal aberraties in het systeem moest
wegwerken. Helaas bracht deze regel met zich mee dat een kleine groep
mensen die één (zelfs bescheiden) eigendom bezitten, maar
een ekstreem laag inkomen ontvangen, óók uit de boot
vielen. In het nieuwe dekreet wordt dan ook gepleit voor de invoering van
een 'bodem-KI' om dergelijke wantoestanden tegen te gaan.
Beloftevolle taal, maar zelfs indien het voorstel-Sannen in een
écht dekreet zou gegoten worden, zijn volgens de Sociale Dienst de
problemen nog niet van de baan. Zo wordt er bijvoorbeeld geen oplossing
voorzien voor de huidige strenge bestraffing van een overschrijding van
de indieningstermijn. Slechts bij hoge uitzondering (bijvoorbeeld na een
overlijden van de kostwinner) wordt een aanvraag ingediend na 31 oktober
nog in overweging genomen; meestal echter volgt de strenge straf van
weigering. Aangezien de dienst werkbaar moet blijven, lijkt het
aanvaardbaar een uiterste indientermijn in te stellen. Het zou echter
menselijker zijn mocht men degressief bestraffen in plaats van met de
botte bijl. Mogelijk ligt er ook nog een mogelijkheid van de overheid om
de sensibilisering (nog) te verbeteren.
hoek
En dan is er nog de kwestie van het studieloon. In ons land zijn
studietoelagen voor de meeste studenten afhankelijk van het inkomen van
degenen van wie ze ten laste zijn, meestal de ouders. Andere landen (met
een meer geëmansipeerde visie op studenten?) kozen voor een
studiefinanciering met behulp van een studieloon. Ook in België gaan
er vanuit officiële hoek soms stemmen op voor deze optie. Zo pleitte
toenmalig staatsekretaris voor Maatschappelijke Integratie Jan Peeters
(SP) twee jaar geleden in Veto voor de invoering van een volwaardig
studieloon. Dit lijkt echter niet eenvoudig realiseerbaar, mede omdat een
eventuele wijziging deels een federale en deels een
gemeenschapsbevoegdheid zou zijn. Ludo Sannen zelf hierover: "Een
studieloon is in het kader van het basisinkomen een filosofie die we
nastreven, maar die we nu nog niet kunnen realiseren. Het federale moet
daar meespelen en er is geen budgettaire ruimte voor. En is het wel
verantwoord? Er zijn immers andere noden dan een veralgemeende
studiefinanciering."
Uit een studie van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Ufsia
blijkt dat in Vlaanderen, net als in de meeste rijke
geïndustrialiseerde landen, de demokratisering van het onderwijs
stagneert. Dit betekent bijvoorbeeld dat het al of niet participeren aan
hoger onderwijs nog steeds samenhangt met de sociale achtergrond - onder
meer het onderwijsnivo en het inkomen van de ouders. In een echt
gedemokratiseerde samenleving echter zou deze achtergrond geen enkele rol
mogen spelen bij een eventuele studiekeuze. Eenieder moet over voldoende
middelen kunnen beschikken om een echt vrije keuze te kunnen maken. Een
goed studietoelagensysteem is hiervoor een belangrijk instrument.
Inhoud