Bijstandsregeling aan zeer strenge voorwaarden
onderworpen
OCMW's houden niet van studenten
Het bestaansminimum werd vijfentwintig jaar geleden ingevoerd als
residuaire uitkering. Dit betekent dat men eerst zijn rechten moet laten
gelden op mogelijke andere bedragen, bijvoorbeeld op een
werkloosheidsuitkering. Voor een student in financiële moeilijkheden
is de situatie echter komplexer. De bijstandsregeling is immers niet
voorzien op het financieren van studies. Dit heeft als gevolg dat OCMW's
vaak zeer weigerachtig staan ten aanzien van studenten.
In ons land ben je op achttien jaar meerderjarig. Als student blijf je
echter ook na de meerderjarigheid nog afhankelijk van je familie. Wegens
het ontbreken van een studieloon zijn de meeste studenten voor de
financiering van hun studie immers aangewezen op hun ouders.
Afhankelijkheid houdt een risiko in voor de student. Onstaat er een
konflikt met de ouders, dan kan dit ernstige financiële
konsekwenties hebben.
Studiebeurzen bieden weinig onafhankelijkheid omdat ze gelinkt zijn
aan het inkomen van de ouders. Voor de kinderbijslag geldt dan weer dat
die uitbetaald wordt aan de ouders. De student kan deze bijslag enkel
rechtstreeks ontvangen indien hij over een eigen domicilie-adres
beschikt. In een stad als Leuven --maar hetzelfde geldt voor andere
studentensteden-- is het zeer moeilijk om je als student in te schrijven
in het bevolkingsregister. Er wordt bijvoorbeeld verwacht dat je een
verklaring van financiële onafhankelijkheid ondertekent. Een aantal
studenten wendt zich bij financiële problemen tot een OCMW. Helaas
zijn daarmee niet alle problemen van de baan.
Een eerste groot knelpunt ligt in het vinden van het
verantwoordelijke OCMW. Het bevoegde centrum is immers dat van de plaats
waar de begunstigde zijn 'gewoonlijke en bestendige' verblijfplaats
heeft. Een domicilie kan hierbij een aanduiding zijn, maar is niet
beslissend. Dit impliceert dat het Leuvense OCMW iemand kan afwijzen
omdat hij bij zijn ouders gedomicilieerd is, terwijl de student in zijn
'thuisadres' dan weer kan geweigerd worden omdat men stelt dat de
gewoonlijke en bestendige verblijfplaats toch duidelijk Leuven is. Zelfs
al is men in het Leuvense bevolkingsregister ingeschreven, dan staat het
OCMW eerder weigerachtig tegenover de aanvraag.
Bot
Dit kan men verantwoorden op basis van de wettelijke regeling van het
bestaansminimum. Eén van de opgelegde voorwaarden is immers het
tonen van werkbereidheid. Of een student voldoet aan deze voorwaarde is
dan natuurlijk vatbaar voor verschillende interpretaties. Nancy Hendrikx
van de sociale dienst van de KU Leuven: "Vroeger durfde het OCMW nogal
bot studenten onmiddellijk wegsturen. Sinds enkele jaren echter bestaat
er een struktureel overleg tussen de sociale dienst en het OCMW."
Hendrikx verduidelijkt de werkwijze van de sociale dienst: "Studenten
die vandaag hulp vragen aan de sociale dienst, proberen we eerst zelf te
helpen. We zoeken dan naar alle andere mogelijkheden van financiering.
Heeft de student recht op een beurs? Waarom betalen de ouders niet?
Indien het een kwestie is van niet willen, dan kunnen wij onderhandelen
om tot een vergelijk te komen. Wij suggereren nooit om een gerechtelijke
procedure tegen de ouders op te starten, zoals het OCMW. Een andere
mogelijkheid is dat onze dienst zelf toelagen of leningen toekent aan de
student. Pas nadat al deze mogelijkheden uitgeput zijn, overwegen we de
betrokkene door te sturen naar het OCMW. Konkreet gaat het slechts om
enkele studenten per jaar." Dankzij deze werkwijze zal het OCMW minder
gemakkelijk beslissen tot weigering. Overigens stuurt de sociale dienst
zelf een dossier op van de student-aanvrager, en indien nodig gaat er
zelfs iemand van de dienst het dossier verdedigen bij het OCMW ter
plaatse.
Men kan zich afvragen of het verantwoord is van een OCMW --en meer
nog van de verantwoordelijke besluitvormers-- om er een dergelijke
handelswijze op na te houden. Zonder tussenkomst van de sociale dienst
zou het immers bijna onmogelijk zijn als student een bijstandsuitkering
te ontvangen. Indien het bestaansminimum een gewaarborgd recht is, lijkt
het enige aanvaardbare criterium dat van de behoeftigheid. Natuurlijk
moet er worden nagegaan of de aanvrager effektief behoeftig is. Deze
verantwoordelijkheid heeft het Leuvense OCMW dus doorgeschoven naar de
sociale dienst.
Laborant
Wanneer een OCMW een student weigert omdat deze bijvoorbeeld niet
voldoet aan de werkbereidheidsvoorwaarde, kan de betrokkene beroep
aantekenen bij de arbeidsrechtbank. Dit is al vele malen gebeurd, en in
de meeste gevallen werd de student in het gelijk gesteld. Volgens Nancy
Hendrikx hanteren de OCMW's hier bewust een afschrikkingstrategie.
"Wettelijk zijn ouders verplicht hun kinderen te onderhouden. Op basis
hiervan beslist het OCMW dan ook vaak negatief over de aanvraag. Ben je
het daar niet mee eens dan moet je maar in beroep gaan. Vele studenten
zullen zulk een grote stap niet (durven) zetten. Bovendien kosten deze
beroepsprocedures veel tijd en middelen en komen studenten met akute
geldnood nog meer in de problemen door het uitstel."
Veelzeggend is ook dat men het al dan niet toekennen van bijstand
laat afhangen van de studierichting. Hoewel men het niet ekspliciet
toegeeft, verkiest men meer 'rendabele' en kortere opleidingen. Studenten
kunstonderwijs worden dus vlugger afgewimpeld dan een laborant in spe.
Bij navraag in het Leuvense OCMW gaf men toe op deze manier te werken.
Een afwijzing zal echter zelden gemotiveerd worden met dit argument,
precies om de hoger aangehaalde beroepaantekenaars alvast geen wapen in
de hand te duwen. In ieder geval is deze diskriminatie ongeoorloofd; het
OCMW mag het toekennen van een bestaansminimum niet laten afhangen van
een studierichting die volgens het centrum uitzicht geeft op reële
tewerkstelling.
Op 21 januari 2000 vindt er in Gent een studiedag plaats
georganiseerd door de sociale hogeschool van Gent. Er zal ondermeer een
debat plaatsvinden inzake beleid en bevoegdheden van OCMW's. Het valt te
vrezen dat de kwestie van het studieloon daar niet aan bod zal komen.
Momenteel heerst er immers bijna eensgezindheid over de politieke
onhaalbaarheid ervan (zie onder meer Veto nummer 10, 22 november 1999).
Nochtans is er dringend nood aan een hervorming van de aanpak van deze
problematiek, en dus zal ook het studieloon bespreekbaar moeten worden.
Dit vergt politieke moed, maar het is een absolute noodzaak.
literatuur: J. Agten en L. Asselberghs, OCMW Zakboekje, Diegem: Kluwer
(1996); Organieke Wet betreffende de OCMW (08/07/76), Belgisch Staatsblad
05/08/76.
Inhoud