Raimund Hoghe met twee voorstellingen in het Stuc
Het verlangen dat om herinnering schreeuwt
Duitsers en hun geschiedenis, het blijft een wat kwakkelende relatie.
Sommigen blijven steken in de verheerlijking van de heimat, anderen
zouden liever tabula rasa maken. De Duitse danser en choreograaf Raimund
Hoghe klaagt aan. Met kleine gebaren mengt hij het publieke en het
private. Het verleden is in elk van ons. In zijn voorstellingen maakt
Hoghe de herinnering wakker.
Raimund Hoghe heeft een halve eeuw achter de rug. Sinds een tiental jaren
verwerkt hij de Duitse geschiedenis van tijdens en na de oorlog in zijn
dansstukken. Het is geen evidentie: Hoghe is goed anderhalve meter groot
en lijdt aan scoliose of ruggengraatverkromming. Zijn reputatie bouwde
hij eerst op buiten het teater, in de journalistiek. Voor Die Zeit
schreef hij een reeks, inmiddels onder de naam Zeitporträts
gebundelde, portretten van onbekende mensen: een toiletmadam, een
rentenier, een analfabeet, een gehandicapte. Allemaal mensen wiens kleine
bekommernissen symbool stonden voor grotere maatschappelijke problemen.
Het zou voor Hoghe een steeds terugkerend thema worden.
Joden
Choreografe Pina Bausch vroeg hem vervolgens als dramaturg. Op heel
persoonlijke wijze harkte hij tussen 1980 en 1990 teksten en ander
materiaal bijeen om haar voorstellingen te stofferen. Bij Bausch ging er
voor Hoghe een nieuwe wereld open. Zij was de eerste die andere dan
klassieke lichamen op de scene liet zien. Haar choreografieën
ondermijnden de voorstellingen die mensen zich maken van wat mooi en
lelijk is. Hoghe: "Iets wat anders is, is niet lelijk. Het is gewoon
anders." Gaandeweg kreeg hij het gevoel dat hij zijn lichaam kon
aanvaarden, dat het een onlosmakelijk deel van hemzelf was. Bausch
stimuleerde hem ook om zelf het podium op te gaan. Voor Hoghe, die al van
kindsbeen af balletdanser had willen worden, ging een oude droom in
vervulling.
De eerste solo kwam er in 1994. Meinwärts was een
treurmis voor de uitgestotenen: homo's, Joden, aidspatiënten,
allemaal mensen met wie Hoghe zich nauw verbonden voelt. Zichzelf
vergeleek hij met de Joodse tenor Joseph Schmidt die dezelfde gestalte
had als Hoghe en die omkwam in een koncentratiekamp. In Chambre
Séparée (1997) vertelt hij zijn leven van na de oorlog:
zijn problemen om als bastaardkind op te groeien in de jaren vijftig en
zestig van het Wirtschaftswunder.
In Hoghe's werk keren twee elementen steeds terug: een strakke,
sobere estetiek en een voorliefde voor muziek. Triviale muziek, van
Marlène Dietrich tot Freddy Beck, kontrasteert met de dans. Bij
andere dansers zou het misschien kitscherig overkomen, niet bij Hoghe.
Dans is bij hem vooral het uitvoeren van rituelen. Kaarsjes branden,
figuren vormen met sateestokjes, iets opzetten, het gemaakte weer
ongedaan maken. Alles gebeurt op een zodanig trage manier dat het iets
sakraals krijgt. Een scène duurt net zolang als de ondersteunende
muziek duurt. Hoghe las in een interview van Charles Aznavour met Edith
Piaf dat zij vond dat bij één lied één
handbeweging hoort om het lied duidelijk en herkenbaar te maken. Hoghe
doet hetzelfde en geeft het publiek zo de kans om persoonlijke gedachten
te vormen.
Sant
Het publiek is zeer belangrijk voor Hoghe. Hij staat niet op het
podium om te voldoen aan een verlangen tot zelfekspressie maar om iets
los te maken bij het publiek. Meer dan ekspliciet op dingen te wijzen,
doet hij een beroep op de individuele herinneringen van elke toeschouwer.
Hoghe: "Toeschouwers moeten openstaan voor hun gevoelens en
herinneringen. Doen ze dat niet, dan blijven ze beter thuis." Misschien
is dat de reden waarom hij bepaald geen sant in eigen land is. De
konfrontatie met het verleden komt voor zijn landgenoten nogal hard aan.
Het blijft een gesloten en weinig kreatief volk. "Duitsers willen dat er
in hun plaats gedacht wordt. Daar ben ik niet toe bereid."
Hoghe's laatste kreatie, Lettere amorose, waarmee hij deze
week naar het Stuc komt, ontleent zijn naam aan het werk van Claudio
Monteverdi. Toch zijn het geen klassieke liefdesbetuigingen zoals de
titel kan doen vermoeden. Hoghe leest autentieke brieven voor van mensen
die zich niet thuis voelen in onze samenleving, verschoppelingen die
haken naar een beter leven. Een Turkse jongen groet zijn broer vanuit het
koude Duitsland. Een geëmigreerde moeder schrijft aan haar zoon, een
onbetrouwbare minnaar aan zijn ex-geliefde of aan een andere vrouw. De
meest opvallende brief is wel die van Yaguine Koïta en Fodé
Tounkare, de twee jonge Guinezen die begin augustus dood werden
aangetroffen in het landingsgestel van een Sabena-vliegtuig en uit naam
van alle wanhopigen een oproep deden aan de mensheid en de
menselijkheid.
Het voorlezen van de brieven gebeurt als het ware en passant,
tussen allerlei rituelen door. Rituelen die Hoghe steeds in zijn eentje
uitvoert. Het is geen 'spelen', evenmin als een priester tijdens een
eucharistieviering 'speelt'. Gehuld in een zwarte mantel, danst Hoghe met
zichzelf, gooit hij foto's die hij heeft uitgestald weer omver en geeft
hij bijtend kommentaar op het racisme en de verrechtsing in Duitsland en
daarbuiten. En weer is er de fluwelen ondertoon met de muziek van Jacques
Brel, Judy Garland of Sinatra's 'It was a very good year'.
Rijzig
Naast Lettere amorose herneemt Hoghe deze week ook het duet
Dialogue with Charlotte (1998). Aan de zijde van de rijzige
Zweedse Charlotte Engelkes komt de gestalte van de danser het scherpst
tot uiting. Het allereerste beeld lijkt wel de evokatie van moeder en
kind, hand in hand, in tegenlicht zodat je alleen de kontoeren ziet. Net
zoals Hoghe was Engelkes niet voor de dans in de wieg gelegd, ze was
namelijk te groot. Maar net als haar tegenspeler heeft ze het
struikelblok van haar lichaam aan de kant geschoven en danst ze
zelfbewust op Tsjaikovski's Zwanenmeer. De rest van de muziek is
lichtvoetiger: Bobby Darin, Peggy Lee en Chavela Vargas, een grootheid in
Mexico.
Voor Hoghe is het de eerste duo-voorstelling. Sinds hun ontmoeting in
Zweden is er een diepe verstandhouding tussen Hoghe en Engelkes gegroeid,
een absolute voorwaarde om op het podium te interakteren, om te vertellen
over emoties en verlangens. Engelkes is het prototipe van de aktrice
zoals Hoghe ze in zijn jeugd op het scherm moet gezien hebben. Hun
samenspel is dubbelzinnig: soms erotisch en romantisch met een
oorspronkelijk plezier in de zang en de dans, dan weer met een besef van
het ietwat belachelijke van hun handelingen. Samen met de muziek uit
vervlogen jaren roept het bij de toeschouwer opnieuw allerlei beelden op.
Elke toeschouwer apart kan er eigen gevoelens, eigen betekenissen aan
ophangen. De kontekst maakt mee de voorstelling en die kontekst is voor
elkeen verschillend. Niemand zal na het doek met dezelfde gevoelens de
zaal verlaten.
Dialogue with Charlotte op maandag 6 en dinsdag 7 december en Lettere
amorose op donderdag 9 en vrijdag 10 december, telkens om 20u30 in de
Vlamingenstraat 83.
Inhoud