Grootste genenbank van bananen in Leuven

De tropen in uw achtertuin

Rijst, tarwe en maïs. Deze drie gewassen bekleden de ereplaatsen van de belangrijkste voedingsgewassen in de ontwikkelingslanden. Op de 'ondankbare' vierde plaats staat de banaan, op wereldschaal het belangrijkste fruitgewas. Om te voorkomen dat ziektes deze levensbelangrijke voedingsbron verteren, werd reeds midden jaren tachtig een wereldwijd netwerk rond banaan-gerelateerd onderzoek uitgebouwd. Ook het koude druilerige Leuven speelt daarin een voorname rol.

Bananen bestaan in alle grootte, vormen, kleuren en smaken: meer dan duizend tipes kunnen ondergebracht worden in vijftig groepen van variëteiten. De bananen zoals die hier in de winkels liggen, behoren tot een twee- à drietal soorten die gemakkelijk te telen en te bewaren zijn, maar daarbij moeten inboeten aan smaak. Voor de lekkerste bananen moet je in de tropische landen zijn.
    Voor de gemiddelde westerling is een banaan een doodgewone zoete vrucht die ze vaak niet meer dan één keer in de twee weken eten. Vierhonderd miljoen mensen in tropische landen verorberen echter dagelijks bananen, in het oosten van Afrika zelfs tot een kilogram per dag. Het gebruik van deze, overigens niet altijd zoete, banaan in de ontwikkelingslanden is ook veel gevarieerder. De bevolking kookt de vrucht of maakt er -- na een fermentatieproces in een uitgeholde boomstam overdekt met bananenbladeren -- alkoholische dranken als bier en wijn van. Het moet dan ook niet verbazen dat slechts een tiende van de wereldproduktie bestemd is voor eksport; de overige negentig procent zijn integraal bestemd voor lokaal verbruik.

Schimmel

    Plantenziektes kunnen de opbrengst van de bananen zware schade toebrengen. Dit was het geval begin jaren tachtig toen de schimmel Black Sigatoka toesloeg en zich in sneltreinvaart verspreidde in Afrika en Latijns-Amerika. Een snelle reaktie was onontbeerlijk om te vermijden dat de ziekte geen desastreuze gevolgen zou aannemen voor de kleine boeren afhankelijk van de bananenteelt. Dit resulteerde in de oprichting van het 'International Network for the Improvement of Banana and Plantain' (Inibap) in 1985. Inibap nam de koördinatie van de samenwerking op zich. Het onderzoek gebeurt door partners in zowel ontwikkelingslanden als geïndustrialiseerde landen.
    Een van de kernaktiviteiten van Inibap bevindt zich in het Laboratorium voor Tropische Plantenteelt aan de fakulteit Landbouwkundige en Toegepaste Biologische Wetenschappen. Ines Van Den Houwe is er verantwoordelijk voor het Inibap Transit Centre, dat zich richt op het konserveren en wereldwijd verdelen van genetisch materiaal van bananen. Inibap koos midden jaren tachtig immers Leuven uit als lokatie om een genenbank aan te leggen. In de eerste plaats omdat in de Leuvense labo's de ekspertize aanwezig was in verband met in vitro-technieken. In tweede instantie omdat het kontinentale klimaat zoals we dat in België kennen bananenvrij is en er dus ook geen bananenziektes aanwezig zijn: zo kunnen de zaden in- en uitgevoerd worden zonder het risiko gedurende de tussenlanding besmet te worden. In de loop van vijftien jaar is de genenbank uitgegroeid tot de grootste ter wereld. De huidige genenbank bestaat uit meer dan duizend soorten, zowel wilde als lokale, kommersiële en veredelde variëteiten. Een konstante temperatuur van zestien graden Celsius vertraagt de groei van de in vitro-plantjes.

Zaden

    Andere instituten bezitten duplikaten van delen van de kollektie voor het geval er iets mis zou gaan met de Leuvense genenbank. De ontwikkelingen staan ondertussen niet stil en recent werd een nieuwe techniek op punt gesteld: het bewaren van bananenkiemplasma in vloeibare stikstof. Daardoor stopt de seldeling en kan het kiemplasma -- net zoals bijvoorbeeld bij het invriezen van embrio's -- tot in de eeuwigheid bewaard worden. De medewerkers van de laboratoria van tropische plantenteelt vriezen momenteel roetinematig bananenkiemplasma in. Niet dat dit op termijn het einde betekent van de oorspronkelijke genenbank: de nieuwe metode zorgt voor een back-up, terwijl de originele genenbank blijft fungeren als werkkollektie om mensen te bevoorraden met de geschikte zaden.
    Sinds een aantal jaren heeft Inibap immers de mensen kunnen bereiken die behoren tot de oorspronkelijke doelgroep: de lokale boeren die op kleinschalige wijze bananen telen om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij kunnen een bestelling plaatsen, waarna de mikro-plantjes verpakt in plastiek en voorzien van een voedingsbodem via de post worden toegestuurd. Inibap voert ook veredelde ziekteresistente variëteiten in, hibriden genaamd, in verschillende regio's, waarna de ontwikkelingen geëvalueerd worden. Zo steeg in noordelijk Tanzania de opbrengst met honderdvijftig. Deze resistente bananen zijn bovendien volledig biologisch geteeld: pesticiden zijn voorlopig niet nodig. Op deze uitgavepost kunnen de lokale boeren veel geld besparen.
    Alle bona fide personen of organisaties mogen geheel gratis gebruik maken van de genenbank. Die dienstverlening mag dan wel gratis zijn, uiteindelijk is er altijd iemand die moet betalen. De bananenbank dankt haar voortbestaan aan subsidies van de Belgische overheid. Grote bedrijven in de bananensektor zien geen brood in het hele opzet: de investering levert op korte termijn niet voldoende winst op. Nochtans heeft iedereen, zij het wel op lange termijn bekeken, baat bij het onderzoek.
Iris Dierckx
Meer informatie vind je op http: //www.agr.kuleuven.ac.be/dtp/tro/itc.htm


--- Sluit dit venster ---