Beste studenten,
Beste niet-studenten,
Leuven is ooit avontuurlijk geweest. Wie vroeger de studenten wilde vertegenwoordigen, moest vooral goed kunnen betogen. Luidkeels en mediageniek protesteren, dat was het belangrijkste talent van een studentenvertegenwoordiger. De politie provoceren, de proffen affronteren en het rectoraat vermassacreren, dat waren onze kerntaken. En omdat er toch nooit iemand luisterde, konden we heel luid roepen. Dat was — laat ons eerlijk zijn — erg leuk. Tegenwoordig liggen de zaken net iets anders. Minder spannend, en minder eenvoudig. Vandaag studeren we op dossiers in plaats van op het Rode Boekje, schrijven we vergadernota’s in plaats van pamfletten en onderhandelen we over inspraak in plaats van over borgtochten. Heel wat minder charmant natuurlijk, en we begrijpen best dat de oude garde maar een ding kan doen als ze ons zo bezig ziet, namelijk dat wat ze altijd deden: protesteren.
Bij de studenten is een mentaliteitswijziging tot stand gekomen. Wij zijn klaar voor volwaardig medebestuur. In feite zijn we dat al jaren: docentenevaluatie kwam tot stand door nauwe samenwerking tussen het universiteitsbestuur en de studenten. Hetzelfde geldt voor Alma, dat door de voortdurende impulsen van de studenten uiteindelijk weer uit het slop geraakte. Op zowel het sociale als het academische terrein hebben wij bewezen dat we verantwoordelijkheid willen en kunnen dragen.
Zonder een goede samenwerking tussen studenten en academische overheid zijn een aantal problemen gedoemd om te blijven aanslepen. Neem nu de Permanente Onderwijs Commissies. De POC’s, die voor elke opleiding zijn opgericht, vervullen maar een fractie van de taken die hen zijn toegewezen. Als bouwsteen van het onderwijsbeleid heeft de POC heel wat bevoegdheden bijgekregen. Dat is op zich een goede zaak. Het relatief kleinschalige niveau maakt een POC uitermate geschikt om te waken over de kwaliteit en het profiel van een opleiding. Er is echter geen ondersteuning voorzien voor de lasten die deze uitbreiding van bevoegdheden met zich meebrengt. De programmadirecteur, die de POC voorzit, wordt momenteel overspoeld door een stortvloed van dossiers. Een korte takenschets van de programmadirecteur en zijn POC laat onmiddellijk zien welk titanenwerk deze stervelingen moeten verrichten.
Onder meer de concrete invulling van de masterprogramma’s is tijdverslindend. Binnenkort komt daar nog de implementatie van de systemen voor kwaliteitsbewaking bovenop. Dat laat bijzonder weinig ruimte voor de fundamentele discussies over de inhoud en profilering van de opleiding als geheel en van de opleidingsonderdelen apart. Zo wordt de POC, in theorie een prima structuur, vleugellam gemaakt. Door de manke werking van het orgaan zijn haar leden, zowel proffen als studenten, soms weinig gemotiveerd om zich in te zetten voor de eigenlijke taken van de POC.
Wil de POC kunnen voldoen aan haar functieomschrijving, dan heeft ze nood aan meer inhoudelijke en administratieve ondersteuning. Een mogelijke oplossing is om de Dienst Universitair Onderwijs te laten indalen in de faculteiten. Door de centrale diensten te ontvetten, stoppen we de tsunami van onderwijsconcepten die al enkele jaren de POC’s overspoelt. Enkele reddingswerkers om de POC’s boven water te houden, zouden in deze niet misstaan.
Er is nog heel wat werk aan de winkel: hoe zou het bijvoorbeeld met de masters zijn? Kiezen we voor een vernieuwende opleiding, of passen we onze oude licenties aan? Gaan we voor een programma dat internationaal hoge toppen scheert, of proberen we aansluiting te vinden bij zusteruniversiteiten en zoeken we een uitweg in bi-diplomering? Deze discussies kunnen dan misschien wel op universitair niveau gevoerd worden — en moeten dat! — maar zonder een sterke POC zullen alle voornemens onuitgevoerd blijven en alle beloften uitgehold blijken.
Als het Universiteitsbestuur de POC’s au serieux neemt dan verwachten we ook dat de programmadirecteurs, als verantwoordelijken hiervoor, de nodige waardering krijgen. Zo lijkt het ons niet meer dan normaal dat de functie van programmadirecteur als beleidsfunctie erkend wordt. Programmadirecteurs moeten hiervoor gecompenseerd worden in hun onderzoeks- en onderwijsbelasting.
De POC moet ook zichzelf au serieux nemen. Het gebeurt nog al te vaak dat problemen met individuele docenten en vakken niet of zeer moeilijk bespreekbaar zijn. Enerzijds rust er nog steeds een taboe op de negatieve evaluatie van collegadocenten. Anderzijds vrezen sommige studenten dat dit taboe doorbreken hen persoonlijk kan aangerekend worden. Zo blijven broodnodige oplossingen voor bestaande problemen uit.
Vanuit de Leuvense studentenbeweging gaan we de inhoudelijke ondersteuning voor de studentleden van de POC’s optimaliseren, om zodoende hun dossierkennis uit te breiden. We verwachten van de andere leden van de POC’s hetzelfde. Daarnaast moet het Universiteitsbestuur maatregelen nemen om de ondersteuning van de POC’s te verbeteren. Van de programmadirecteurs en leden van de POC’s verwachten we dat ze ook vertrouwelijke problemen aankaarten. Hiervoor is een mentaliteitswijziging nodig.
Mijnheer de rector, beste leden van de Universitaire gemeenschap. Deze generatie van studenten heeft recht op volwaardig medebestuur en is daar ook klaar voor. Wij willen deze verantwoordelijkheid opnemen, in het voordeel van onze universiteit. Er is geen enkel rationeel argument meer om ons dit te ontzeggen, of dit nu op het niveau van de POC of de Raad van Bestuur is. We doen dan ook een warme oproep aan de universitaire gemeenschap om haar koudwatervrees te overwinnen.
Wij danken u.