- Gegevens
- Categorie: Veto 3217
- Gepubliceerd: 13 maart 2006
- Hits: 436
Het financieringsvoorstel voor het hoger onderwijs van minister Frank Vandenbroucke (SP.A) valt niet in goede aarde bij de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) en de onderwijsvakbonden. Daarom organiseren zij de komende weken samen verschillende acties. Het nieuwe financieringsvoorstel zou “een sociaal bloedbad aanrichten bij alle universiteiten, behalve bij de K.U.Leuven en de UGent,” klinkt het bij VVS. Ook 10 van de 21 hogescholen zouden dat lot ondergaan.
De eerste eis van VVS luidt “meer geld voor onderwijs”. Maar is daarvoor wel plaats in de Vlaamse begroting? Jan Fabry, voorzitter VVS: “Vanuit het kabinet krijgen we de laatste tijd signalen dat daartegen geen principiële bezwaren meer zijn. Maar we willen met onze actie de Vlaamse regering als geheel bereiken, want zij moet budgetair gevolg geven aan haar pleidooi voor een kennissamenleving. De structurele onderfinanciering van de hogescholen kunnen we enkel oplossen door extra geld, dat we niet mogen gaan zoeken bij de universiteiten. Aan het verdwijnen van associaties of instellingen kan trouwens beter een open debat vooraf gaan.”
VVS spreekt over het huidige financieringsvoorstel als een sociaal bloedbad. “Dat is natuurlijk vooral de terminologie van de onderwijsbonden. Maar het klopt wel. Tachtig tot negentig procent van het hoger onderwijsbudget gaat naar personeel. Rationalisatie zal dus zeker gepaard gaan met ontslagen en het voorstel van de minister zegt niets over hoe hij dat probleem wil oplossen.”
VVS heeft het vooral moeilijk met het feit dat het nieuwe financieringsvoorstel uitsluitend outputgedreven is. Dat wil zeggen dat instellingen niet langer gefinancierd zullen worden op basis van het aantal opgenomen studiepunten, maar op het aantal studiepunten waarvoor de student slaagt. Het zou de instellingen er niet enkel toe aanzetten hun kwaliteitsnorm te verlagen, maar ook om de sociaal zwakkere student ‘af te stoten’.
De vraag is of universiteiten en hogescholen dan aan cherrypicking kunnen doen. Daarvoor is hun informatie over de inschrijvende student niet gedetailleerd genoeg. Jan Fabry: “Dat klopt misschien op het eerste zicht, maar een instelling kan wel heel bewust in zogenaamde ‘witte’ scholen rekruteren en in ‘zwarte’ scholen niet. Dat zou nefast zijn voor de emancipatie van kansarme groepen.” Nochtans wil Frank Vandenbroucke beursstudenten dubbel financieren. Maar dat schiet volgens VVS zijn doel voorbij: “Is de beursstudent een erg slechte voorspeller voor studiemoeilijkheden? Beursstudenten lijken zelfs beter te presteren. Dit zal het asociale effect van de outputfinanciering dus niet corrigeren. VVS ijvert dan ook voor een uitbreiding van studentenkenmerken als indicator voor studievertraging en uitval. Waar horen de allochtonen, de mensen met een BSO- of TSO vooropleiding of een functiebeperking thuis in het plan? Outputfinanciering focust hoofdzakelijk op de door- en uitstroom, terwijl de kansengroepen eerder te kampen hebben met instroommoeilijkheden. Financiering op basis van studentenkenmerken kan dus beter in combinatie met een inputfinanciering.” De beursstudent is wel makkelijker te kwantificeren dan de allochtone student. Volgens Fabry onderzocht VVS echter al enkele pistes om op een objectieve en verifieerbare manier studentenkenmerken te registreren, zonder planlast te veroorzaken.
Wat de kwaliteitsverlaging betreft, lijkt het wel alsof VVS haar vertrouwen opzegt in de kwaliteitscontrole van de Vlaamse Interuniversitaire raad (VLIR) en het Nederlands Vlaams AccreditatieOrgaan (NVAO). “Dat is zeker niet zo,” zegt Fabry, “VVS is een grote voorstander van accreditatie, maar dat is louter kwaliteitsbewaking en er is vaak nog voldoende marge aanwezig om de kwaliteit te verlagen. Daarom stelt VVS voor om expliciet onderwijskwaliteitsparameters op te nemen in het nieuwe model.”
Niet alleen het outputmodel stoot tegen de borst, ook de hoge inschrijvingsgelden voor aanvullende opleidingen, bissers en trissers, baren de Vlaamse student zorgen. “Die inschrijvingsgelden kunnen in bepaalde gevallen oplopen tot 25.000 euro en de criteria hiervoor zijn veel te vaag geformuleerd. Het is helemaal niet duidelijk wat deze astronomische bedragen zou rechtvaardigen.”
De Leuvense studenten, verenigd in LOKO, betogen niet mee. De K.U.Leuven wint immers door het nieuwe financieringsvoorstel. Hoe werd daar door de andere studentenraden op gereageerd? Thomas Delaet, voorzitter van LOKO: “In het begin van het academiejaar waren de relaties wel wat bekoeld, maar zodra bleek dat we in een minderheidspositie zaten binnen VVS, hebben we het zware oppositiewerk achterwege gelaten. De andere studentenraden begrijpen wel dat wij in onze positie voor het nieuwe model zijn. Maar we nemen dit standpunt niet alleen in uit eigenbelang. LOKO is ervan overtuigd dat een eenvoudig model nog altijd het beste is. VVS wil te veel parameters en is mathematisch niet sluitend. Zo’n model wordt te complex en zal haar doel dan ook voorbij schieten.” Kan LOKO zich dan helemaal niet vinden in de kritiek van VVS? “Die kwaliteitsparameters vinden we een sterk punt en wij zijn ook voor een gedeeltelijke financiering van de masters en dus tegen astronomisch hoge inschrijvingsgelden. Maar om de zaken klaar en duidelijk te stellen, betogen we niet mee,” besluit Delaet. Een ramp vindt VVS dit niet aangezien het om verschillende regionale acties gaat, in plaats van nationale.
De uitvoeringsdatum van het financieringsvoorstel werd al verschoven van 2007 naar 2009, net voor het einde van de Vlaamse legislatuur. Binnen de Vlaamse Interuniversitaire Raad gaan er nu stemmen op — die vooral uit Brussel komen — om het hele boeltje nog uit te stellen tot 2013.
