Van stage tot uitbuitingBepaalde vaardigheden zijn onontbeerlijk voor de uitoefening van een beroep. Niet alles kan aangeleerd worden in een auditorium. Soms moet je gewoon met beide voeten in de praktijk staan om de nodige competentie te verwerven.
Een stage lopen in een bedrijf om ‘de stiel te leren’ kan dan de oplossing bieden. “De tijd gedurende welke een leerling of student een bepaald vak onder leiding in de praktijk brengt, als onderdeel van de opleiding.” Van Dale geeft slechts één mogelijke interpretatie van het woord stage. In de praktijk blijkt het concept vatbaar voor meerdere interpretaties. Vooral de termen ‘onder leiding’ begrijpt men wel eens anders, dan oorspronkelijk de bedoeling was.
Elke studierichting is anders en dat een stageopleiding aan andere eisen moet voldoen lijkt evident. Op zich geen probleem, ware het niet dat stage soms leidt tot uitbuiting omdat er zoveel ruimte voor interpretatie is. Hoeveel uren een stagiair moet werken en welke taken de stagiair moet vervullen binnen een bedrijf wordt vaak volledig overgelaten aan het bedrijf in kwestie. Een gebrek aan regels zorgt ervoor dat het volledig van de goodwill van de werkgever afhangt of een student een leerrijke stage of een nachtmerrie beleeft. Sommige studenten voelen zich zo onder druk gezet door de dreiging van een slechte beoordeling dat ze denken geen rechten te hebben.
Als we twee uitersten van het spectrum met elkaar in verband brengen wordt duidelijk dat het ‘nuanceverschil’ vooral in de begeleiding zit. De Academische Lerarenopleiding voorziet in een beperkt aantal luister- en lesstages. Bij de voorbereiding van de lessen kan de student raad vragen aan de begeleider van de K.U.Leuven. Tijdens elk van de gegeven lessen zit de leerkracht achteraan in de klas, na de les krijgt de student feedback. Elke aggregaatstudent moet een enorme rompslomp verwerken aan lesvoorbereidingen, lesreflecties en elke stap wordt opnieuw besproken met mentor en lector. De begeleiding is prominent aanwezig, soms zelfs tot grote ergernis van studenten.
Een geneeskundestudent loopt eveneens stage, zij het op heel andere wijze. Ziekenhuizen en revalidatiecentra draaien op stagiairs artsen, kinesisten, verpleegkundigen, die voor een groot deel zelfstandig patiënten behandelen. Wanneer een geneeskundestudent zich wenst te specialiseren in een bepaalde richting, wordt hij een onbetaald co-assistent, dus stagiair, voor onbepaalde duur (maximum één jaar). Een co-assistentschap duurt tot de student afhaakt of niet aanvaard wordt. Op die manier ontwikkelt zich een ware concurrentiële afvallingsrace, waarin werkweken van 70 uren geen uitzondering vormen (in contrast met de 38 uren-werkweek). Co-assistenten wedijveren met elkaar voor een beperkt aantal plaatsen. Ze vechten voor goedkeuring bij de professoren. Geen enkele maatregel beperkt het aantal werkuren of garandeert voldoende uren slaap, terwijl deze stagiairs mensenlevens onder handen krijgen.
Bedrijven misbruiken het statuut van stagiair wel eens om goedkope werkkrachten aan te werven. Bepaalde stageplaatsen zijn zo gegeerd dat pas afgestudeerden bereid zijn aan het werk te gaan tegen zware onderbetaling. Na jaren studeren en hard werken voor een diploma laten ze zich vangen in een nepstatuut, waar ze om de zoveel maanden een stagiairscontract voorgeschoteld krijgen. Als afgestudeerden desnoods gratis willen werken, dan leidt dit automatisch tot sociale wantoestanden. Niet alleen het Europees Parlement oefent aantrekkingskracht uit op jongeren; gerenommeerde televisieproductiehuizen of reclamebureaus zijn evenzeer in trek. Pas afgestudeerden vinden het een ‘eer’ om er te werken. Werkervaring staat goed op een cv, toch dien je als starter geen werkervaring te sprokkelen tegen elke prijs.