"Om even stil van te worden": Vetos visitatiecommissie (5): Religie, zingeving en levensbeschouwing
- Gegevens
- Categorie: Veto 3306
- Gepubliceerd: 06 november 2006
- Hits: 445
Terwijl de studenten langzaam en enigszins schoorvoetend binnendruppelen, vragen we ons dus af hoe ver of los de verschillende componenten uit de titel — religie, zingeving en levensbeschouwing — in deze cursus van elkaar af zullen staan. En hoe een groep studenten die, laten we eerlijk wezen, waarschijnlijk niet zit te wachten op zingeving — laat staan zingeving door bovenaf geïnspireerd — hierop reageert. Professor Verstraeten valt met de deur in huis. Zingeving is moeilijk voor de postmoderne mens, zegt hij. Tegenwoordig hebben we te veel mogelijkheden, we spelen te veel verschillende rollen. We vermijden het contact met ons diepere zelf omdat we het innerlijke ervaren als een leegte. Uiteindelijk identificeren we ons slechts met het werk dat we doen en de prestaties die we leveren: we werken, dus we zijn. Bedrijven zijn geseculariseerde kerken geworden met een credo, morele code en corporate cult.
De zaal is rumoerig. Om ons heen horen we gefluister en gekraak dat wordt veroorzaakt door het ongeduldige schuifelen op de houten bankjes. Het meisje voor ons praat met haar vriendin over het kotfeestje van twee dagen terug.
God
Hoe kunnen we in deze postmoderne wereld nog zin-geven? We moeten ons allereerst vrij maken, zegt Verstraeten, door onze ziel los te maken van manipulatie. We moeten ons bevrijden van aanhoudende verlangens en van de lege spiritualiteit die ons wordt aangeboden door reclame. Geloven in God is niet noodzakelijk voor zingeving, zegt Verstraeten. En zelfs geloven in God is tegenwoordig moeilijk. Het wordt bemoeilijkt doordat de ondersteunende cultuur voor het geloof, de sociale controle, er niet meer is. Maar ook doordat het moderne godsbeeld niet interessant is. Het huidige beeld van God is dat van een prime mover, een bedachte en beredeneerde god, een god als oplossing voor een theoretisch vraagstuk. Deze God, de God van de verlichting, hebben we terecht verworpen, zegt Verstraeten. Wat God uiteindelijk helemaal de das omdeed in de 20e eeuw was de historische ervaring van onmenselijk lijden. Vraag waardoor we beginnen te twijfelen aan het bestaan van God en het vaakst antwoorden we: door genociden, zoals de Holocaust.
Nacht
Een nieuwe slide op de overhead projector en een nieuw blaadje voor het meisje voor ons. ‘Holocaust’ schrijft ze erop, in hoofdletters en met twee dikke rode strepen eronder. Ze staart voor zich uit, naar de uitgang of naar het kruisbeeld erboven, we weten het niet zeker. Ze kijkt naar haar horloge, gooit haar haar over haar linkerschouder en zucht.
‘Elie Wiesel’ staat op de slide en dat schrijft ze onder ‘Holocaust’. Wiesel is een Joods-Roemeens-Hongaarse schrijver die als kind met zijn familie in Auschwitz en Buchenwald terecht kwam. Wiesel zelf overleefde de kampen maar verloor er zijn vader, moeder en zus en was er getuige van immense wreedheid en lijden. Wiesel achtte zijn ervaringen eerst on-esthetiseerbaar, alsof hij door ze op te schrijven het lijden zou uitbuiten, romantiseren. In Nacht beschreef Wiesel uiteindelijk het onbeschrijfbare. Het werd zijn meest bekende roman en een toonbeeld van Holocaust-literatuur. Verstraeten wil er een fragment uit voorlezen. ‘Misschien moeten we gewoon even stil luisteren’ zegt hij. Het meisje voor ons doet haar pennenzak dicht en rekt zich languit uit over haar tafeltje.
Verstraeten leest voor: Wiesel en zijn medegevangenen worden voor het avondeten verplicht toe te kijken hoe twee mannen en een kind uit het kamp worden opgehangen. Wanneer Wiesel na afloop langs de gehangenen loopt, zijn de twee mannen al dood, maar het kind leeft nog. Meer dan een half uur lang hangt het aan de galg, te bengelen tussen leven en dood. De gevangen kijken toe terwijl het kind tergend langzaam sterft. Wiesel hoort een man zich hardop afvragen: ‘Waar is God nu? Waar is Hij?” “Waar Hij is?” zegt Wiesel hierop in zichzelf. “Hier is Hij. Hij hangt hier aan de galg.” “Die avond”, zo eindigt het fragment, “smaakte de soep naar lijken”. Het is doodstil in de zaal als Verstraeten stopt met lezen. “U ziet”, zegt hij. “U wordt er stil van.”
Steekkaart
Prof: Johan Verstraeten
Wie: Voornamelijk derdejaarsstudenten Politieke en Sociale Wetenschappen en Communicatiewetenschappen
Waar: MTC1 lokaal 01.14
Wanneer: Donderdag van 14u tot 15u.
