Vergeet Herakles en Rob Vanoudenhoven: het zijn de Twaalf Werken van Veto die geschiedenis zullen schrijven. Voor het Zesde Werk stappen we in de voetsporen van de Music-For-Life-presentatoren, en drinken/eten we een week lang niets anders dan sapjes en  water. Als tweede doel zamelen we zo veel mogelijk geld in.
Christoph Meeussen

� Café Libertad, woensdagavond. Wat vrienden en ik maken het ons gemakkelijk aan één van de gezellige tafeltjes, waarop nog twee koffies van vorige klanten staan. Een zilverkleurig papiertje springt in het oog en ik verbaas me erover dat het koekje moederziel alleen is achtergelaten. Bijna automatisch scheur ik de verpakking open en breng het chocoladefantasietje naar mijn mond. Net op tijd stop ik, opdracht bijna gefaald.
Twee dagen eerder, de trein tussen Leuven en Antwerpen raast door het landschap. Ik kijk door het raam, maar mijn gedachten zijn elders. De uitspraken over de sapjes van de StuBru-presentatoren — dat de sapjes echt vies zouden smaken — spoken door mijn hoofd. Echter, wanneer ik bij mijn sapjesleverancier aankom, ben ik al vrij snel gerustgesteld. Het zijn helemaal geen chemische, voorgeprepareerde en verdunde goedjes. Ik zie een etalage vol vers fruit en groenten. Een vlijtige winkelbediende vraagt wat ik die dag te eten wil. In het gamma van maar liefst 38 sapjes ben ik echter nog niet goed thuis en ik vraag om enkele suggesties. De eerste dag zijn de ‘Strawberry Surprise’, een ‘Melon Honey’, en een ‘Carrot&Apple’ mijn beste vloeibare vrienden. Terug op de trein naar Leuven overvalt me een eerste verrassing. De ‘Strawberry Surprise’ — een combinatie van aardbeien, sinaasappel, yoghurt, smaakt meer dan behoorlijk. Een tweede verrassing is er wanneer ik merk dat na een kwartier mijn Smoothie nog niet half op is. Toegegeven, je drinkt uiteindelijk gewoon wat gemalen fruit en groenten, maar een halve liter ervan vult verdomd goed.
So far, so good, het eerste sapje is op. Een plotselinge vrees overvalt me. Hoe lang zou het immers duren voor de honger weer opsteekt? Drie uur? Dertig minuten? Wat als ook het tweede sapje van de dag er vlotjes doorgaat, zonder noemenswaardige bevrediging van mijn eetlust?
Dat valt eigenlijk wat tegen. Een uur voor de les van zes zet ik mijn lippen aan het tweede sapje, de ‘Carrot&Apple’. Zoals de naam al doet vermoeden combineert het brouwsel groenten en fruit, maar wonderwel is ook dit drankje best, euh, te pruimen. De honger blijft nu vrij goed weg. Pas tegen een uur of negen besluit ik het laatste sapje van de dag binnen te spelen. Dat de sapjes vrij snel opeenvolgen baart me toch lichtjes zorgen.
Dinsdag sta ik op met lichte hoofdpijn — waarvoor uitbater Ken me gewaarschuwd had — maar ook met een geweldig lege maag. Ik haast me naar de trein van vijf na zeven en iets na acht heb ik weerom drie verse brouwsels vast. De bijzonder goed smakende ‘Breakfast 2 Go’ met geroosterde muesli doet goed zijn werk; ik spoor tevreden terug naar Leuven. De twee andere sapjes verdeel ik in vier maaltijdjes. Die dag heb ik geen hongergevoel meer.
De trein lonkt woensdag alweer veel te vroeg. In Antwerpen vraag ik de winkelbediende naar de vele bussen achter de toog. “Additieven”, zegt hij, “in sapjes voor mezelf kieper ik altijd een flinke scheut libido-blend”. Onder het motto ‘experimenteler kan de week toch niet’, antwoord ik lichtjes lollend bevestigend op de wedervraag. Hoewel mijn maag langzaam begint te krimpen — de sapjes geraken steeds trager op — krijg ik op café toch een acuut hongertje. Het rondje volgen met enkel bruiswaters lijkt weggegooid geld, maar helpt wel tegen de zin in het koekje.
Donderdag en vrijdag krijg ik steeds minder zin in het steeds felgekleurde vocht. Mijn humeur begint achteruit te gaan, wellicht vooral door het feit dat ik het monotone eten nu ongeveer wel beu ben. Even blameer ik het immer vroege opstaan, maar ik kan vrij tevreden zeggen dat ik doorheen al deze dagen relatief veel energie had om de dag door te komen. Wie fruit eet, slaapt minder? Daarnaast krijg ik ook nog frisse moed door het op poten gezette sponsorprogramma.
Vrijdag thuiskomen is ronduit onaangenaam. De Sint heeft meer chocoladeventjes laten rondslingeren dan ik dacht. Nooit keek ik meer beteuterd en verlekkerd naar de familiale koekenkast, vol met suikerige lekkernijen. Ik kruip dan maar vroeg in bed voor de laatste dag. Dat is er een van aftellen. Ik haal voor een laatste keer met plezier mijn eten op, bedank de sapjesboer vriendelijk en bereken voor de financiële tussenstand. Vijf voor twaalf, de sapjes zijn al even op. Niet dat ik ze mis,  maar ik werp voor de eerste keer sinds zondag een blik op de weegschaal. De tol is zwaar en verlichtend tegelijk. Deze jongen is vier kilo minder zichzelf. Enkele seconden later hoor ik de klok en haast me benedenwaarts. “Voor het slapengaan is eten ongezond”, zeg je? — Ik versta u niet, sorry, ik ben aan ‘t kauwen.