Analyse rectorsverkiezing en -evaluatie

Hoe academisch is de Academische Raad?

Het is aantrekkelijk te kunnen schieten op een anoniem monster. Dat moet zowat de redenering zijn achter de vele reacties van de laatste maanden die vooral de externe leden van de Raad van Bestuur (RvB) in het vizier nemen en de Academische Raad (AR) veronachtzamen. Het kan echter geen kwaad ook de 'eigen' mensen kritisch in de ogen te kijken. De vertegenwoordigers op de AR mogen daar immers niet met een blanco cheque zitten; verantwoording afleggen aan de kiezers is geen bijkomstigheid voor om de zoveel jaar, het is een democratisch basisrecht.

Simon Horsten

@@AR.jpg

Negu

Bekijken we het stemgedrag en de leden van de AR dus eens van nabij. Meteen valt op dat zij, niet onderling en evenmin op de Bijzondere Universiteitsraad (BUR), een hecht blok vormen. Een recent voorbeeld: om een beslissing te nemen in de BUR, volstaat het volgens het organiek reglement (artikel 91) niet om een gewone meerderheid te halen. Er moet minstens sprake zijn van een gewone meerderheid in elke kamer, te weten de AR- en de RvB-geleding (telkens met uitzondering van de rector en zijn ploeg). Als de BUR op 3 december dus beslist heeft het mandaat van Vervenne niet te verlengen, dan is dat gebeurd met instemming en zelfs medewerking van bijna de helft van de AR-leden. Hoezo, de academici staan recht tegenover de externe bestuurders?

Kiesheid

Laten we de vergadering van de AR op de dag van de publicatie van deze Veto nu eens onder de loep nemen. De hoofdbrok van de agenda betreft het voorstel dat in de schoot van de BUR werd opgesteld voor de verkiezingsprocedure die dit semester gevolgd moet worden. De AR mag daarover een advies formuleren, waarna over het voorstel (of een alternatief) een definitieve beslissing wordt genomen op de RvB van 17 februari. Wat denken onze vertegenwoordigers over dit voorstel? Eerst en vooral is het nuttig te weten dat vier van de zes leden van de ad hoc-werkgroep die het voorstel opstelde uit de AR kwamen: de voorzitter was rechtendecaan Paul Van Orshoven en verder bestond de werkgroep uit zijn collega van Geneeskunde Bernard Himpens, de voorzitter van de Vereniging Academisch Personeel Leuven, Louis Vos, en een student, Stijn Geysenbergh. De leden van de RvB waren Eric Stroobants en Frans Van Daele. Het voorstel werd dus, zeg maar, voor tweederde gemaakt door AR-leden - en alleszins is geen van hen sindsdien al betrapt op ernstige kritiek op dat voorstel. Nu dan, de standpunten fractie per fractie. De studentenvertegenwoordigers hebben het in deze het makkelijkst: zij verdedigen het standpunt van de verzamelde studentenkringen, die vorige week in een Algemene Vergadering hun afkeur lieten blijken jegens het voorliggende voorstel. Ongeacht de persoonlijke mening van de studenten die in de AR zitten, kunnen zij dus niet anders dan voor een negatief advies te pleiten. Dat zijn al vier stemmen. Bij de zeven afgevaardigden van de personeelsleden (waaronder één niet-academicus) ligt het al iets complexer. De Vereniging Academisch Personeel Leuven (VAPL) publiceerde deze week een standpunt dat zich niet ondubbelzinnig afkeert van het BUR-voorstel, maar dat de screening op voorhand in de huidige context wel als ongeloofwaardig bestempelt: "Moet dan de Bijzondere Universiteitsraad die 'toetsing' doen? Hij zou dat zeker kunnen en zelfs zonder de 'verkiezingen te vervalsen', op voorwaarde dat hij het vertrouwen genoot die hij zou verdienen. Dat laatste nu is helaas vandaag niet het geval." Even verderop stelt de VAPL (in al even wrak Nederlands) een alternatief voor. Het standpunt kan op weinig gejuich rekenen bij de achterban, maar het bepleit in ieder geval een ander voorstel dan dat van de BUR. Vijf van de zeven personeelsvertegenwoordigers in de AR zetelen in het bestuur van de VAPL en ondertekenden dus het standpunt, wat echter niet betekent dat ze hun eigen standpunt ook onderschrijven. Nota bene de voorzitter van de vereniging, Louis Vos, die ook in de werkgroep van de BUR zat, stemde amper twee dagen na het opstellen van het VAPL-standpunt op de open faculteitsvergadering van Letteren nog moederziel alleen vóór het voorstel. Hoe dan ook: van de zeven vertegenwoordigers van het personeel zal een meerderheid tegen het voorstel zijn. Vervolgens komt de tweede grootste fractie van de AR aan bod: het College van Bestuur (CvB), dat wil zeggen de rector (die de AR voorzit), zijn zeven vicerectoren en de algemeen beheerder. Zij zijn de enigen die niet aanwezig zijn op de Bijzonder Universiteitsraad, die immers net 'bijzonder' wordt genoemd wegens de afwezigheid van het CvB. Het is moeilijk te voorspellen wat zij gaan doen. Tot nu toe heeft de ploeg zich - wellicht uit kiesheid - niet openlijk gemengd in het debat over de verkiezingsprocedure. Indien ze dat nu wel doet, en dat zou helemaal niet onkies zijn, dan lijkt de kans groot dat ze tegen het voorstel zal pleiten. Of de CvB'ers zich nu onthouden van de discussie dan wel hun mond opendoen, veel grote pleitbezorgers van het voorstel tellen ze niet in hun rangen. Enkel de mening van algemeen beheerder Koenraad Debackere, die al onder de vorige rector diende, zou wel eens kunnen afwijken.

Obscuur

Tot hier toe zijn de meeste leden niet erg enthousiast te maken voor het BUR-voorstel. Blijven nog over: de dertien decanen. Enkelen onder hen zijn duidelijke tegenstanders van het voorstel, zoals Luk Draye en Jan Beirlant, anderen werpen zich dan weer op als notoire voorstanders: uiteraard Paul Van Orshoven, die op verschillende faculteitsvergaderingen het voorstel met vuur is gaan verdedigen, maar ook zijn collega's Bernard Himpens, die het plan mee uittekende, en Emmanuel Gerard die aanwezig was op alle open faculteitsraden en enkele malen het voorstel verdedigde. Wat opvalt is dat leden van faculteiten bijzonder weinig vragen stellen aan hun man op de AR, hun decaan; op de open faculteitsvergaderingen van de laatste weken fungeerden ze veelal als stille doorgevers van de microfoon, terwijl zij het wel zijn die vandaag een doorslaggevende inbreng hebben in het advies van de AR. Wat zij zullen vertellen of verdedigen is wat ze zélf willen, en dat is niet per se waar een meerderheid van de faculteit zich achter schaart. Er zijn immers niet altijd louter principiële en praktische argumenten in het spel: achter de schermen worden volop beloftes gedaan, machtsspelletjes gespeeld en pacten gesmeed. Verantwoording is vaak ver te zoeken. En voor alle duidelijkheid: niet enkel decanen kunnen zich laten verleiden tot zulke praktijken. Met rectorsverkiezingen op til slaat menig hoofd op hol. Het is dringend nodig dat onze vertegenwoordigers op de AR verantwoording afleggen, zodat 'gewone' leden van de universiteit weten wat met hun stem gedaan wordt. Wie schreeuwt om democratie, moet er ook gebruik van maken. Om te eindigen nog dit: dat de AR een ongenuanceerd positief of negatief advies zou formuleren is weinig waarschijnlijk. De discussie zal eerder gaan tussen het morrelen aan modaliteiten (een eerder positief advies) en het uitwerken van een totaal ander alternatief (wat eerder negatief is). De uitkomst zal in grote mate bepalen in hoeverre de academische gemeenschap het vertrouwen zal behouden in zijn belangrijkste orgaan. Dat is geen kleinigheid: wantrouwen ten opzichte van democratisch verkozen vertegenwoordigers is veel zorgwekkender dan wantrouwen tegenover externe bestuurders.