maandag 09 februari 2009 - jaargang 35 - nummer 13
Nieuwe nota over het Leuvens Universitair Systeem
Oneindige lus?
Tegen 2012-2013 moet het academiseringsproces - het betrekken van bepaalde hogeschoolopleidingen in het universitair onderzoek - afgelopen zijn. De vraag wat er daarna met deze opleidingen moet gebeuren houdt de onderwijswereld al een tijdje bezig. Met het Leuvens Universitair Systeem (LUS) neemt de universiteit een reeds langer gekend standpunt in, waarmee ze net als bij de associatievorming vooruitloopt op de decreetgever.
Ruben Bruynooghe
Toch is het nog niet duidelijk of de andere universiteiten weer gedwongen zullen worden de K.U.Leuven in dit model te volgen, want hoe de Leuvense mastodontinstelling bestuurd zal moeten worden is nog lang niet duidelijk. Aan het begin van dit academiejaar stelde rector Marc Vervenne nog het multicampusmodel voor, maar omdat dit onwerkbaar bleek werd van dat idee afgestapt. Vice-rector Humane Wetenschappen Filip Abraham heeft nu een nieuw voorstel op tafel gelegd dat in maart besproken zal worden.Marginaal
Als we het model in grote lijnen omschrijven komen we uit op drie hoofdrolspelers: de universiteit, de hogeschool en de associatie. Deze laatste houdt zich tot dusver vooral bezig het academiseren van hoge-schoolopleidingen. Na 2013 zou de associatie echter volledig instaan voor de externe representatie van het LUS, wat wil zeggen dat zowel voor de universiteit als voor de hogeschool de associatie gesprekspartner van de overheidsinstellingen wordt. Daarbuiten krijgt ze ook nog eens de bevoegdheid om geschillen tussen de hogeschool en de universiteit te beslechten. Filip Abraham licht verder toe: "Dit zou eerder een marginale bevoegdheid moeten zijn. Wanneer de universiteit en hogeschool onderling niet tot een consensus kunnen komen, mogen we spreken van een systeemcrisis. Het is dan ook niet de bedoeling dat die situatie zich al te vaak voordoet." Geruchten doen verder ook nog de ronde als zou de associatie eventueel bepaalde bevoegdheden van de hogescholen overnemen: "Maar daar kunnen we eigenlijk nog niet veel over zeggen, deze nota behandelt de professionele opleidingen eigenlijk niet." Beslissingen die alleen de universiteit of hogeschool aangaan worden door hunzelf genomen. Voor academisch onderwijs dat in de hogescholen wordt onderricht is de situatie minder vanzelfsprekend. De eindverantwoordelijkheid voor deze opleidingen ligt bij de universiteit, deze krijgt volgens de nota dan ook het initiatiefrecht. De hogescholen kunnen ook initiatief nemen. "Vanaf de departementen worden de ideeën doorgespeeld aan hun directe oversten, de zogenaamde 'mesostructuren'. De hogescholen en universiteit overleggen dan met elkaar om tot een gemeenschappelijk voorstel te kunnen komen." Niet onbelangrijke bevoegdheden, zoals plaatselijke profilering of maatschappelijke dienstverlening, komen hoe dan ook wel nog toe aan de hogescholen. "Zij zijn immers dichter betrokken bij de lokale situatie voor wat betreft het aantrekken van nieuwe studenten. Ook voor onderzoek is er nog plaats voor de hogescholen, alweer omdat de hogescholen veel beter kunnen inspelen op de lokale omstandigheden." De hogescholen geven echter sowieso veel van hun bevoegdheden op. "Je moet niet onderschatten wat zij eigenlijk opgeven, het is dan ook logisch dat de hogescholen vertegenwoordigd moeten zijn in alle organen van de universiteit. Uiteraard zijn niet alle hogescholen overal vertegenwoordigd, je zou de situatie een beetje kunnen vergelijken met studentenvertegenwoordiging."Kritiek
Dat deze situatie impliciet betekent dat de hogescholen eigenlijk rechtstreeks invloed kunnen hebben op beslissingen die louter de universiteit aangaan hoeft voor Abraham geen probleem te zijn: "Je kan onmogelijk vragen aan de vertegenwoordigers om weg te gaan in het midden van een vergadering wanneer er universitaire zaken besproken worden. De grens is trouwens niet altijd duidelijk en het creëert geen goede samenwerking. De teamgeest die op deze manier ontstaat, zorgt ervoor dat de vertegenwoordigers de persoonlijke belangen durven opzij te schuiven. Dat is iets wat je tegenwoordig ook al kan zien op vergaderingen." Aan de andere kant krijgt de universiteit niet in alle hogeschoolorganen inspraak. "Dit is inderdaad een conceptueel onevenwicht. Maar de praktische uitvoering van zo'n vertegenwoordiging zorgt voor een onmogelijk vergaderschema." Kritieken komen vanuit verschillende kanten: "Ten eerste heb je zowel langs de kant van de universiteit als hogeschool mensen die de hele integratie in vraag stellen. Langs de kant van de universiteit wordt geargumenteerd dat we teveel energie zullen moeten steken in de hogescholen en we op die manier onze algemene positie als universiteit zullen verzwakken. Bij de hogescholen vinden sommigen het niet nodig de academische opleidingen af te staan aan de universiteit." Abraham heeft wel begrip voor deze meningen, maar het besluitvormingsproces lijkt al te ver op gang te zijn om nog terug te keren. "Persoonlijk geloof ik trouwens nog steeds erg hard in dit project."