maandag 16 februari 2009 - jaargang 35 - nummer 14
Dagboek van kandidaat-rector Geert Janssen
Mensen zijn niet dom
Officieel bekend zijn de kandidaturen voor de rectorsverkiezing nog niet, maar voor Geert Janssen, student en rectorskandidaat, is elke dag van tel. Naast een internetcampagne, een persoonlijk charmeoffensief en een kennismakingsinterview (zie pagina dertien) kan je vanaf vandaag ook zijn hoogst persoonlijk mijmeringen volgen in Veto.
Dagboekschrijver
Maandag. «"The best way to predict the future is to create it," adviseerde Peter Drucker al. Dat moet je mij geen tweemaal zeggen. Enkele minuten geleden heeft de Academische Raad een advies uitgesproken over de te volgen procedure tijdens de komende rectorsverkiezing. Het voorstel dat op tafel lag - ook wel het fuck-Geert Janssen-voorstel genoemd - werd afgekeurd en de oude regeling is min of meer behouden. Het advies wordt 'negatief' genoemd, omdat het een voorstel afschiet, maar positiever kan de dag voor mij niet meer worden.»«Niet dat ik het niet heb zien aankomen. Integendeel: in deze cruciale tijden staat niemand met ambitie aan de zijlijn. De toekomst van de universiteit is te belangrijk om ze in handen te geven van incompetentelingen, of ze nu een doctoraat hebben gemaakt of niet. Dus heb ik het lot een zetje gegeven en mijn stille steuners een duidelijke opdracht: zorg ervoor dat het fuck-Geert Janssen-voorstel gekelderd wordt. Ze hebben het slim aangepakt, mijn mannetjes, maar minder had ik ook niet verwacht. Daarin ligt misschien wel mijn belangrijkste troef: ik heb een neus voor mensen, ik weet hoeveel iemand aankan, wanneer ik iemand kan gebruiken.»
«Onze strategie was eenvoudig. Primo: onenigheid scheppen tussen de vertegenwoordigers. Secundo: hier en daar emotionele reacties loslaten op het voorstel, zodat de tegenreactie van de verdedigers hardvochtig en arrogant zou overkomen. Tertio: het idee lanceren dat het goedkeuren van het voorstel een crisis zou installeren aan de top van de universiteit. Samen met de angst is de rest vanzelf gekomen. Mensen zijn niet dom, je moet ze gewoon de juiste richting uit sturen.»
Woensdag. «Mijn gedachten dwalen af naar de elfde, twaalfde eeuw. Ik zie de eerste universiteiten voor me tot leven komen, Italiaanse woorden weergalmen tussen de zware muren. Plots maken enkele professoren een korte buiging. Ze ruimen baan voor de rector, die minzaam glimlachend een praatje komt slaan. Zijn studiegerei wordt gedragen door een weinig opvallende jongeman. Het is geen droom: de rectors van de eerste universiteiten waren studenten, zij hielden de instellingen in stand. Wat vermag een student van de eenentwintigste eeuw dan wel? Is het een droom te geloven in emancipatie?»
Vrijdag. «Wachtend op de trein spreekt een studente me aan. Tranen blinken op haar breekbaar gezichtje. Ze vertelt over haar broer, die drie weken geleden nog studeerde aan de K.U.Leuven maar ons nu ontvallen is. De te hoge Alma-prijzen werden hem te veel, de honger maakte het werk af. Zulke toestanden maken me kwaad. Maar ze sterken me ook in mijn overtuiging door te gaan. De familie wens ik veel kracht toe in deze moeilijke periode. Kleine Benjamin zal een mooie plaats krijgen in mijn hart en mijn beleid.» Zondag. «De eucharistieviering laadt me op, ik kijk de week vol goede moed tegemoet. Ook vandaag begint de toekomst.»