maandag 16 februari 2009 - jaargang 35 - nummer 14
Interview met Antwerpse rector Alain Verschoren
"Onderscheid tussen hogeschool en universiteit vrijwaren"
Terwijl de K.U.Leuven zich opmaakt voor een cruciale rectorsverkiezing, is de Universiteit Antwerpen (UA) al een tijdje bekomen van een verkiezing met een hoog thrillergehalte, te wijten aan een ex aequo en een leemte in het verkiezingsreglement. De uiteindelijke winnaar, professor Alain Verschoren, staat intussen een halfjaar aan het roer van de derde grootste universiteit van Vlaanderen.
Simon Horsten & Roel Moeurs
Veto: Tijdens de rectorsverkiezingen van vorig jaar, na de onbesliste tweede stemronde, zei u dat het geen zin had de patstelling op te lossen door 'en petit comité' te beslissen wie rector zou worden; u pleitte voor een derde stemronde.
Rector Alain Verschoren: «De leiding van een instelling moet gedragen worden door de instelling zelf. Tot nu toe werken we aan de UA met een systeem van kiesmannen en -vrouwen die worden aangeduid nog voordat de kandidaten bekend zijn. Dat systeem zou ik willen aanpassen voor de volgende verkiezingen. Meer zelfs: ik ben voorstander van écht universiteitsbrede verkiezingen, waarbij niet enkel bepaalde vertegenwoordigers kunnen stemmen, maar iedereen - al zou er natuurlijk een weging moeten zijn die de vooraf bepaalde stemverhoudingen tussen de geledingen in het kiescollege in rekening brengt. Het is nog een prematuur idee en de invoering ervan zou een proces van lange duur zijn, maar ik denk dat zulke democratische verkiezingen de beste garantie zijn op een grote gedragenheid van de rector binnen zijn instelling.»
Veto: Volgt u de ontwikkelingen van de rectorsevaluatie en -verkiezing aan de K.U.Leuven?
Verschoren: «Natuurlijk volg ik die. Ik zie mijn collega's op regelmatige basis in de Vlaamse Interuniversitaire Raad (waarvan rector Vervenne momenteel de voorzitter is, red.) en ook oud-rector Oosterlinck ken ik goed.»
«Ik wil me niet bemoeien met de interne keuken van de Leuvense universiteit, maar ik vind wel dat het mandaat van een verkozene slechts verlengd of verkort mag worden door de kiezers zelf.»
Kunstenaar
Veto: In uw verkiezingsprogramma ging heel wat aandacht naar de associaties en de manier waarop die evolueren.
Verschoren: «Kijk, het oorspronkelijke opzet van de associaties was het creëren van samenwerkingsverbanden om een wetenschappelijke component te delen, waardoor de hogeschoolopleidingen van het lange type konden 'academiseren' of ingebed worden in wetenschappelijk onderzoek. Onderwijs dat gebaseerd is op onderzoek hoeft trouwens niet per definitie aan de universiteit plaats te vinden: zolang de docenten voldoende actief betrokken bij het onderzoek, kan hun onderwijs perfect op een andere plek gebeuren.» «Neem nu het voorbeeld van de Handelswetenschappen, een hogeschoolopleiding, en Toegepaste Economische Wetenschappen (TEW), een universitaire opleiding. Die eerste opleiding moet plots academiseren. Moeten handelswetenschappers dan zelf al dat wetenschappelijk onderzoek gaan doen? Voor mijn part niet: het fundamentele onderzoek kan gedaan worden bij TEW en bij Handelswetenschappen kan men dat dan in praktijk brengen.»
«De aanvankelijke invulling die aan de associaties werd gegeven, is echter stilaan veranderd. Van louter samenwerkingsverbanden neigt men er nu naar alle geacademiseerde hogeschoolopleidingen in de universiteiten op te nemen. Ik zie echter een duidelijk verschil tussen universitaire en een aantal academische opleidingen, waarmee ik onder andere van mening verschil met de Leuvense associatievoorzitter Oosterlinck. Hogeschoolopleidingen, ook de geacademiseerde, zijn opleidingen die in eerste instantie leiden tot een beroep. De onderzoekscomponent is belangrijk maar die volstaat niet om alle academische opleidingen meteen als universitaire opleidingen te gaan beschouwen.»
Veto: Vreest u dan voor de 'verhogescholisering' van de universiteiten, zoals sommigen het noemen?
Verschoren: «Ik denk niet dat er uitsluitend negatieve gevolgen zouden zijn bij het opnemen van de academische opleidingen in de universiteiten. Zo kunnen wij bijvoorbeeld zeer veel leren van hogescholen, die vaak veel meer met de onderwijspraktijk rekening houden.»
«Maar het is belangrijk een onderscheid te vrijwaren tussen hogeschool- en universiteitsopleidingen, zeker voor wat betreft de professionele opleidingen, maar in zekere mate ook voor de geacademiseerde. Die hebben vaak een erg verschillend profiel. Denk maar aan de ingenieurs. De Industriële Wetenschappen staan klaar om een universitaire opleiding te worden. Maar daar heb je natuurlijk de burgerlijke ingenieurs. Nu zijn er mensen uit het bedrijfsleven die vragen om van de industriële zeker geen burgerlijke ingenieurs te maken, aangezien die laatste - misschien wat overdreven - vooral zo snel mogelijk op de zesde verdieping willen zitten en een bedrijfswagen willen hebben. De industriële ingenieurs durven daarentegen nog hun handen uit de mouwen te steken, wat wel eens zou kunnen veranderen als ze door de universiteit worden opgenomen.» «Hetzelfde verhaal geldt voor de docenten: moet elke lesgever in een geacademiseerde opleiding een doctoraat hebben gemaakt? Wie heeft er bijvoorbeeld baat bij dat lesgevers in kunstopleidingen een doctoraat zouden hebben? In de wetenschappen heeft een doctoraat een meerwaarde, om bijvoorbeeld een academische job te kunnen vinden, maar gaat een kunstenaar sneller een galerij kunnen aanspreken omdat hij een doctoraat heeft?»
«In ieder geval pleit ik niet voor één groot universitair systeem, maar gewoon voor een maximale samenwerking tussen hogescholen en universiteiten. Een integratie tot op zekere hoogte, dus, zonder dat een van beide wordt opgeslokt.»
Veto: Uit uw voorbeelden blijkt dat u erg veel belang hecht aan de marktwaarde van een diploma. Vindt u het zinvol opleidingen te definiëren vanuit het beroepsleven?
Verschoren: «De universiteit moet antwoorden formuleren op vragen die nog niet gesteld zijn en de markt zo voor zijn, maar laten we eerlijk zijn: je moet ook ten dienste staan van die markt.»
Utopie
Veto: Hoe staat u tegenover de door minister Vandenbroucke zo gewilde rationalisatie van het hoger onderwijs?
Verschoren: «In de commissie-Soete (de ministeriële rationalisatiecommissie, waarin vertegenwoordigers zitten van elke universiteit en associatie, red.) hebben we al over veel zaken gesproken, maar wat tot nog toe het minste aan bod is gekomen, is optimalisatie - wat overigens iets anders is dan rationalisatie. Nochtans is dat een belangrijke kwestie. Ik vind bijvoorbeeld dat naast het 'inkantelingsmodel', waarbij de academische opleidingen van de hogescholen en universiteiten één grote instelling gaan vormen, ook alternatieven bespreekbaar moeten zijn. Want het Leuvense concept is in mijn ogen ook niet alles, het lijkt wel op een olievlek in het Vlaamse hogeronderwijslandschap. Die regionale verspreiding werkt niet altijd optimalisatie in de hand. Hoe kan iemand in Oostende nu profiteren van zaken die in Hasselt gebeuren? Dat kost allemaal veel tijd en middelen. Een regionale samenwerking is vaak veel nuttiger. Een voorbeeld uit onze eigen stad is de Lessius Hogeschool, die bij de Leuvense associatie hoort en de andere Antwerpse opleidingen dus de facto beconcurreert. Als Lessius tot onze associatie zou behoren, zou het mogelijk zijn de verschillende opleidingen TEW te diversifiëren. Nu kunnen onze eigen TEW-opleidingen en die van Lessius echter wel eens naar elkaar toe kunnen groeien omdat ze zo veel mogelijk studenten willen hebben. Het hoeft geen betoog dat dit een duidelijke verarming van het aanbod zou impliceren, naast het minder toegankelijk maken van de opleiding Handelswetenschappen voor leerlingen afkomstig uit de minder sterke richtingen secundair onderwijs.»
«Je kan natuurlijk optimaliseren op verschillende manieren. Er zijn opleidingen met meer dan duizend studenten. Optimalisering zou bij mij betekenen die groepen kleiner te maken en als er zo veel vraag is het eventueel zelfs niet anders ook in te richten. Ook dat is optimalisatie. Op bachelorniveau kunnen er best heel wat gelijkaardige opleidingen worden ingericht, elk met een eigen accent, en bij de masters mogen de profielen duidelijker verschillen tussen de universiteiten. Je moet alleszins werken op basis van kwaliteit. Je mag niet overal alles aanbieden, al ben ik ook tegen regulering van bovenaf. De vrije markt zorgt zelf voor een gezonde verdeling.» «Ik geloof dan ook sterk in een concurrentiemodel. Eén Universiteit Vlaanderen is een gevaarlijke utopie. Het vreemde is dat in de privésector onmiddellijk wordt opgetreden als één bedrijf door fusies of acquisities een te groot deel van de markt in handen krijgt, terwijl we in het hoger onderwijs door allerlei inkantelingen en fusies de omgekeerde richting uitgaan. Zo zorgt de inkanteling ervoor dat in het studiegebied Handelswetenschappen ca. 70% bij de K.U.Leuven komt en er dan nog slechts één concurrent overblijft!»
Loodgieters
Veto: Heel wat sociale groepen bereiken nog altijd slechts in minieme aantallen de universiteit. Hoe denkt u zulke jongeren te kunnen aantrekken?
Verschoren: «Wat bijvoorbeeld allochtone studenten betreft, gaat het in Antwerpen om een beperkt percentage, al ligt dat in Leuven nog een stuk lager. Natuurlijk heeft dat deels te maken met de regio waarin de universiteiten zich bevinden: in Antwerpen zijn nu eenmaal meer allochtonen.» «Hoe dan ook stellen wij ons als universiteit totaal democratisch op, we maken geen onderscheid tussen allochtone en autochtone studenten. Iedereen is welkom. Nu hebben allochtone of kansarme studenten vaak wel een achterstand, ondermeer een taalachterstand, die er al is van lang vóór ze bij ons komen. Eigenlijk is het te laat om in het laatste jaar van het secundair jongeren te gaan ronselen die in feite helemaal niet klaar zijn voor de universiteit. Het begint veel vroeger.»
«Nu moet je natuurlijk ook niet iedereen naar de universiteit willen sturen. Je hebt ook loodgieters nodig, werknemers voor andere knelpuntberoepen. Het is onverantwoord iedereen aan te raden kernfysica te gaan studeren en te doen alsof je daar makkelijk slaagt. Je moet correcte informatie geven aan potentiële studenten. Bij wiskunde hebben we bijvoorbeeld een boekje gemaakt om op voorhand je kennis en vaardigheden te testen en zo uit te vissen wat je kans op succes is. Dat is natuurlijk iets heel anders dan een formele toelatingsproef.»
