Onder de toga (15): Karel Vandenhende (Architectuur)

Tussen de voegen van Mondriaan

Elke week legt een nieuwe professor zijn toga af, en daarmee ook een verklaring van zijn goede smaak. Zonder ambtskleed zijn academici immers sneller geraakt, en daar draait het om als Veto hen vraagt welke kunst of cultuur hen kan vervoeren. Ditmaal vertelt Karel Vandenhende over het raakvlak tussen architectuur en cultuur.

Liesbet Coolen

Vandenhende is zelf architect en coördineert een ontwerpatelier in tweede bachelor Ingenieurswetenschappen-Architectuur. Daar komt techniek, functionaliteit en analyse aan te pas.
Veto: De ideeën, waar komen die vandaan?
Karel Vandenhende: «Inspiratie vind ik bij ontwerpen van andere architecten, maar ook in musea, dansvoorstellingen of theater. Die kunstvormen geven nooit directe ideeën, maar hebben een soort energie. Of ze benutten de ruimte op een bepaalde manier, werken met belichting volgens een methode die je als publiek dan onbewust opslaat. Ik herinner me een recente voorstelling in de Arenbergschouwburg die interessant was omdat mensen er continu in en uit een lift stapten (Kunstminnende Heren van Olympique Dramatique, red.) En een dansvoorstelling als die van de groep Ultima Vez van choreograaf Vandekeybus waarin er voor en achter op het podium werd gespeeld, waardoor de relatie tussen die twee plekken werd verkend.»
«Inspiratie is dus niet de directe overname van een enscenering of een idee. De beste ontwerpen ontstaan net door een bepaald gegeven te gebruiken in een andere context waar het een heel interessante oplossing kan bieden. Zonder dat er dus een kopie ontstaat, kan een vlak van Mondriaan inspirerend zijn voor een gevelcompositie. De asymmetrie en de spanning in het kleurpatroon kan een bepaalde praktische toepassing, zoals de voegverdeling, al beinvloeden. Het is een abstracte manier van denken.»
Veto: Is architectuur vooral rationeel en abstract?
Vandenhende: «Het is altijd een combinatie van functionele randvoorwaarden en persoonlijke ervaring. Er zijn dus zeker gevoelsmatige aspecten. Zelfs als we de resultaten van In Situ (project waarbij studenten ingenieur-architect met een eigen installatie ingrijpen op een bepaalde plek, red.) beoordelen, gebeurt dat voor een deel gevoelsmatig. Eens aan bepaalde eisen is voldaan, gaat je aandacht naar ruimtelijke doorzichten, lichtinval, akoestische kwaliteiten. Neem nu de gebouwen van het STUK. Die werden vernieuwd op een heel hedendaagse en ook verrassende manier. De architect heeft er de vorm van de binnenkoeren gevolgd, maar er zijn ook elementen die je niet verwacht, zoals de trap tussen het onthaal en het café. En dankzij het metalen profiel van de STUK-letters vooraan is het gebouw minder teruggesprongen.»
Veto: Kan bouwvalligheid ook mooi zijn?
Vandenhende: «Zeker. Als architect werk je soms met plaatsen die al iets beleefd hebben, waar er iets van de muur werd gehaald zodat er witte vlakken verschijnen. Wanneer gebouwen worden gesloopt blijf je de indeling van de kamers zien, ontstaan er soms composities die nooit bedoeld zijn en die verhalen vertellen. Ik hou wel van architecten met een eigen signatuur, maar geef toch de voorkeur aan meer bescheidenheid ten opzichte van de ruimte. Bij de renovatie van een deel van het kasteel van Arenberg moesten we dat ook doen. We hebben er een evenwicht moeten zoeken.»