maandag 2 maart 2009 - jaargang 35 - nummer 16
Dagboek van kandidaat-rector Geert Janssen
Dat dwaze geneuzel
Geert Janssen, student en rectorskandidaat, wacht met vertrouwen het officiële startschot van de campagne af, het moment waarop de mogelijke kandidaten eindelijk beslissen of ze al dan niet in de running willen zijn voor het mooiste maar gevaarlijkste ambt aan de K.U.Leuven.
Ghostboekschrijver
Maandag. «Nog zeven etmalen en ik weet met stellige zekerheid wie samen met mij het strijdperk zal betreden. Eindelijk, geen dag te vroeg. Al die kandidaat-kandidaten die hun kandidatuur 'overwegen' en de jandoedels van de media om de vinger winden met hun zogenaamde verscheurdheid tussen dienstbaarheid aan de universiteit en een hoogst lachwekkende 'het-is-een-groot-offer-en-ik-weet-niet-of-ik-daartoe-bereid-ben'-houding - ik krijg er het pleuris van, alsook de vliegende tering. Wat is er zo moeilijk aan gewoon kleur te bekennen? Me dunkt dat een deel van dat canonieke canaille godbetert een historisch orgasme krijgt telkenmale een hijgende journalist aan de lijn hangt. Ach, proffen. Il n'y a qu'un pas du sublime au ridicule, zeg ik wel eens.»«Neen, geef mij dan maar een eenvoudige jongen die zonder al te veel decorum zegt waar het op staat, die geen energie verspilt aan formaliteiten of mediaspelletjes, maar simpelweg zijn persoon en programma voor het voetlicht brengt en die gewillig laat beoordelen door de kiezer. Bref, iemand zoals ik.»
Woensdag. «Bij een kop hete kamillethee - waar ik steeds kruidnagel aan pleeg toe te voegen, voor de smaak en het pijnstillend effect - laat ik mijn gedachten de vrije loop. Hoeveel kandidaten zouden uiteindelijk de arena bereiken? Het doet er amper toe: de academische goegemeente is slechts in staat per dichotomie te redeneren. Hoe verscheiden mijn collega-kandidaten en ik ook zijn, we zullen binnen de kortste keren worden opgedeeld in twee kampen. En waarschijnlijk zijn het de meest gerespecteerde media die zulks een gegaffelde denkwijze het eerst overnemen. Ik zal niet op mijn eigen merites worden beoordeeld, maar op het vermoeden of ik aan deze of gene voorganger wordt gekoppeld. Mijn naam doet er niet toe, mijn vermeende netwerk des te meer.»
«En de media hebben macht, al beseffen ze zelf niet waarin die precies ligt besloten. Stel dat een weekblad mijn netwerk in beeld brengt, mijn adresboek op straat gooit. En stel dat dat netwerk bulkt van de namen die niet bepaald bekendstaan om hun democratische ingesteldheid. Het zou de doodsteek betekenen voor mijn kandidatuur, ongeacht mijn intrinsieke kwaliteiten.»
«Gelukkig heb ik geen netwerk. Of liever: mijn vrienden zijn niet gekleurd door hun verleden. Ik zoek steun bij mensen zonder vijanden. Ook al lachen mijn tegenstrevers daarmee: wie geen vijanden heeft, heeft geen macht. Misschien is dat zo. Maar de macht beheer ik liever zelf. Daar heb ik geen vrienden voor nodig.»
Zaterdag. «Ik lees de kranten. Enkelen hebben hun definitieve ja-woord gegeven om toe te treden tot de verkiezing. Anderen twijfelen nog. Zeggen ze. Waarom dat getreuzel, dat dwaze geneuzel?»
«Net voor ik slapen ga, voel ik de misselijkheid opkomen. Ik hang wel twintig minuten boven de latrine.»
Zondag. «Een woelige nacht gehad. Gedroomd van het rectorschap. Bezweet wakker geworden, al won ik in mijn dromen glansrijk de verkiezingen. Les rêves de la veille sont quelquefois les vérités du lendemain, declameert mijnheer pastoor een uurtje later. Het beurt me op. Ja: wat mij toekomt is de toekomst. En die begint niet gisteren of morgen: tot nader order begint de toekomst nog steeds vandaag.»