Dagboek van kandidaat-rector Geert Janssen

Meet mij met de blik

De rectorsverkiezing trekt zich op gang. Vorige week werden de definitieve namen van de aspirant-kandidaten bekendgemaakt. Veto blijft meelezen in de persoonlijke dagboekfragmenten van één van hen: Geert Janssen, student en rectorskandidaat.

Ghostwriter

Maandag. «Aankloppen moet niet bij de voorzitter van de verkiezingscommissie: er is een onooglijk belletje gemonteerd op de deurlijst. De melodie komt amper tot bij mij. Tell me why I don't like Mondays...
«Net als de overige kandidaten ga ik langs om mijzelf en mijn talenten officieel aan te bieden aan de Alma Mater, mijn geliefde universiteit. Het dient een roemrijk moment te worden voor een volbloed democraat als ik, maar de materiële omstandigheden zijn daar net iets te pover voor. De voorzitter betrekt blijkbaar een erg klein bureau, met slechts twee ramen. Verdient een man als hij geen ruimere behuizing?»
«"Binnen vijf minuten," oreert de voorzitter wanneer de formele geplogenheid achter de rug is, "maak ik de kandidaten bekend aan de buitenwereld. Dan barst de hel los. Dan stort het janhagel van de pers zich op u, dan volgen de kritiek en de valse lofbetuigingen van academici. Leer ze mij niet kennen!" Fluks laat ik de schuimbekkende voorzitter voor wat hij is en verlaat zijn kantoortje. Hoe grimmiger de anderen zijn, des te zekerder ikzelf word. En wist Nietzsche al niet: Wer ein Warum zu leben hat, erträgt fast jedes Wie
Dinsdag. «Allengs lengen de dagen. De zon is weer gezond begerig. De hoop van de opbloeiende natuur verjaagt de treurnis en de winter van ons ongenoegen. De wereld wacht op beterschap, op glorieuze zomers. Ik ben er klaar voor.»
Donderdag. «Een decaan houdt mij staande aan Alma 2. Ik maak een, volgens hem, nogal voortvarende opmerking over de machtsverdeling binnen de universiteit, naar aanleiding van een abominabel geschreven artikel in een weekblad. De decaan, nochtans niet van sociale vaardigheden gespeend, steigert. Hij vloekt en gaat tekeer en trekt zich bij de baard en meet mij met de blik maar kan mij niet bekeren: ik neem mijn woorden niet terug, niet voor een decaan. Ik leg enkel verantwoording af aan de basis.»
«Enige woorden zinderen nog wel na. Ben ik een complotdenker? De decaan slingerde het verwijt naar mijn hoofd zoals een vrijgezel rijst gooit op het huwelijk van een oud lief. Ik weet evenwel dat ik geen complotdenker ben, daarvoor ben ik te rijkelijk bedeeld met nuchterheid en relativeringsvermogen. Wel baart het me zorgen dat zo veel individuen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben mij steeds opnieuw datzelfde verwijt maken. Zit hier iets meer achter?»
Zaterdag. «Die Tat ist alles, nichts der Ruhm. Apekool, Goethe begreep er niets van: daad en roem zijn immers geen antoniemen. Een eerlijke, op professionaliteit en visie gestoelde faam vermag geheid meer dan enkele goedbedoelde maar stilgehouden daden. Kijk naar Patrick Janssens.»
«Neen, Johann Wolfgang, dan luister ik liever naar uw landgenoten, die het eenvoudiger en correcter zeggen: Der Ruhm hat Flügel. Dát is pas een waarachtig aforisme.»
«Zelf heb ik er trouwens evenzeer een handje van weg sententieuze uitspraken te concipiëren die de waarheid verrassend begrijpelijk verklaren. Zoals deze: de toekomst begint vandaag. Dixi