Dagboek van kandidaat-rector Geert Janssen

Een alledaagse verwarring

De deelnemers aan de rectorsverkiezing zijn volop bezig met het verzamelen van handtekeningen voor hun kandidatuur. Voor Geert Janssen, student en rectorskandidaat, begint de last van de campagne fysiek door te wegen. Maar gewiekster is hij meer dan ooit.

Ghostjewriter

Dinsdag. «Toen ik vanmorgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte ik dat ik in mijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd: vulpotloden, inktpatronen, flarden tekst en volle farden hadden zich een weg gebaand tussen de lakens en mijzelf. Het gevolg was een veelvuldig geprikkelde Geert Janssen, met afdrukken en inktsporen over het hele lichaam. De lichtwekker projecteerde mijn monsterachtige schaduw op de muur.»
«Bij het overpeinzen van dit ongelukkige ochtendgebeuren, nu ik mijn nanoens kopje thee tot mij neem, besef ik dat deze verkiezing een potentieel gevaar vormt voor de kathedraal die sommigen mijn lichaam noemen. Ik mag me niet laten gaan: aandacht is nodig voor lichaam en geest. Al werk ik door tot op een halfuur van mijn wekker, ik dien mezelf te verzorgen. I dare do all that may become a man; who dares do more is none. Tot alles ben ik bereid, maar meer ook niet. Zo behoud ik de beste garantie op een succesrijke verkiezing: een gezonde Geert in een gezond lichaam.» Donderdag. «Iemand moet mij hebben belasterd. Zonder dat hij iets kwaads heeft gedaan, wordt een mannetje van mij in de hoek gedreven door een stel linkmichels. Quos ego. Ik zal ze!»
«De kwestie is als volgt. Een mijner goede vrienden, zelf met ervaring als rectorskandidaat behept, krijgt als lid van de verkiezingscommissie een klacht te slikken. Volledig ten onrechte, uiteraard: wat men hem aanwrijft is een te actieve betrokkenheid bij de verkiezing, die mij in het voordeel speelt. Zijn handelingen als privépersoon, wanneer hij voor mij bijvoorbeeld stemmen en medestanders tracht te winnen, mogen evenwel niet als onverenigbaar worden beschouwd met zijn neutraliteit als lid van de verkiezingscommissie.»
«Een ziedend telefoontje naar de voorzitter doet wonderen. De vergadering legt de klacht naast zich neer, mijn mannetje en ik zijn uit de gevarenzone. Ik heb opnieuw vertrouwen in de democratisch verkozen organen van deze universiteit, de prachtige instelling die me zulks een weelde heeft geschonken dat ik het nu als mijn nederige plicht zie enkele van de beste jaren van mijn leven in ruil te geven. Mij zullen ze hier niet gauw zien vertrekken. J'y suis, j'y reste.» Vrijdag. «Een vreemd telefoontje van een Vlaams kabinet: of ik volgende week wil langskomen. "Eventualiter," luidt mijn antwoord, maar dat is niet geheel correct. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt.» Zaterdag. «Een alledaagse gebeurtenis: als gevolg een alledaagse verwarring. Ik loop door het Begijnhof en zie een toekomstige oud-rector nauwgezet de meest uitstekende kasseien ontwijken. Spontaan denk ik aan As good as it gets, waarin mijn pennenvriend Jack Nicholson als een volleerde autist van de ene dalsteen naar de andere dartelt. De herinnering aan de film doet me hardop lachen, helaas net op het moment dat de schier oud-rector een uitschuiver maakt van heb-ik-jou-daar. Hij kijkt bevend op en mij verwijtend aan, jammerlijk denkend dat ik met zijn stunteligheid de draak steek.»
«"Zorg er maar voor, jongeman, dat je in de toekomst meer respect hebt voor de ouderen van dagen", zo klinkt de zachte stem. "Dat spreekt", riposteer ik op eerbiedige toon, en ik beloof u zelfs meer: die toekomst is geen verre, vreemde tijd. De toekomst begint vandaag.»