Beeldenstorm: De Witte

Mysterie Letterentuin ontsluierd

De standbeelden van Leuven hebben meer te bieden dan een artistieke streling voor het oog. Achter vele beelden zit een interessant verhaal of een onverwachte geschiedenis. Deze week duiken we de tuin van het Erasmushuis in, op zoek naar literaire verbeelding.

Karolien De Turck

@@BEELD.jpg

Andrew Snowball

Ouderpaar van Dodaigne. Rustend onder een kastanjeboom, symboliseren zij het centrale onderzoeksobject van de faculteit. De mens en humane wetenschappen; zoek de link. Deze is immers ver zoek wanneer we even verder een indrukwekkend paard zien opdoemen. Dit edele ros lijkt haar traditionele heldhaftigheid kwijt te zijn. Te gronde gericht, staart het je met een blik van doodsangst aan. Volgens beeldhouwer Rik Poot duidt dat op het tragische, gebroken aspect van het menszijn. Wellicht een ode aan de talloze getormenteerde zielen onder de letterenstudenten.

Pak slaag

Een eindje verderop komt de Witte uit het struikgewas piepen. Met schalkse blik staat hij je uitdagend aan te kijken. René Rosseel bracht deze literaire figuur van Ernest Claes tot leven. In 1985 werd het beeldje aan de universiteit geschonken door het Ernest Claesgenootschap. Literatuur en letteren; zoek de link. De Witte van Sichem was echter geen goedlachse letterenstudent, maar een arme arbeidersjongen uit het landelijke Vlaanderen van de jaren 1900. Hij kreeg meer slaag dan eten. Het harde labeur bij een tirannieke boer en een school als een keurslijf maakten zijn leven er niet bepaald vrolijker op.
Wie het geluk niet in de schoot geworpen krijgt, moet het zelf maar gaan zoeken. Zo moet ook de Witte gedacht hebben. Geen enkele kans liet hij aan zich voorbijgaan om zijn kwajongenstreken uit de kast te halen. Een mens zou voor minder, met een stel jennende broers, een moeder die over alles zaagt, en een vader die je enkel ziet om je een pak slaag te verkopen. Desondanks was de Witte een gelukkige knaap. Al joeg hij met zijn streken vaak ouders en meesters op de kast, toch oogstte hij veeleer gelach dan gehuil.

Apenjaren

De Witte vond in zijn schelmenstreken immers een uitlaatklep voor een zekere onvrede met de dagdagelijkse realiteit. Waarschijnlijk verklaart dit het enorme succes van de roman, die meteen na de publicatie in 1920 al een voltreffer werd. Jongeren en volwassenen identificeerden zich graag met de kleine rebel. "Het doet mensen terugdenken aan hun eigen apenjaren of het doet ze dromen van een avontuurlijke kindertijd die ze zelf niet hebben gehad," vermoedde Claes.
De Witte mag dan wel geen geleerde humanist of invloedrijke professor zijn, een studentikoos symbool is hij wel. In literatuur en verbeelding vond hij een kortstondige vluchtroute uit de harde realiteit. Geen kattekwaad was hem te hoog gegrepen, geen maatschappelijke kloof te diep. Nu staat hij daar als een knipoog naar de voorbijgaande stroom studenten. Je zou haast zweren dat je hem hoort zingen: Gaudeamus igitur; iuvenes dum sumus.