Vlaams Minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke

"Ik wil dit beleid graag verder zetten"

De ambtstermijn van Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Werk, Onderwijs & Vorming Frank Vandenbroucke (Sp.a) zit er bijna op. Vandenbroucke wil zichzelf graag opvolgen, maar vreest dat zijn partij rake klappen krijgt op 7 juni.

Ken Lambeets, Christoph Meeussen & Jeroen Deblaere

@@FRANK.jpg

Christine Laureys


Veto: Moeten we de dag na de verkiezingen examens afleggen?
Minister Frank Vandenbroucke: «Ik heb een brief gestuurd naar alle Vlaamse rectoren en hogeschooldirecteurs waarin ik meld aangesproken te zijn over het samenvallen van de verkiezingen met de examenperiode. Ik geef geen harde instructie. Ik ga ervan uit dat de studentenvertegenwoordigers in de universiteiten en hogescholen betrokken worden in het overleg over het examenrooster. De reacties zijn nogal verschillend. De instellingen mogen zelf bepalen wat ze doen.»

Rankings


Veto: Binnen enkele weken is er de Bolognaconferentie in Leuven en Louvain La Neuve.
Vandenbroucke: «Ik ben heel blij dat we samen met de Nederlanders en de Luxemburgers gastheer zijn, tien jaar na de start van het proces. Deze conferentie moet een mijlpaal worden. Door ons gastheerschap hoop ik mee de inhoud van de conferentie te bepalen en te sturen.»
«De Bolognaverklaring heel veel op gang gebracht. Er zijn duidelijke afspraken gemaakt over de Europese hoger onderwijsruimte en er werden vele positieve resultaten geboekt. Maar we mogen niet al te zelfgenoegzaam zijn. De conferentie mag geen lofzang op onszelf worden. In heel wat landen is er nog werk aan de winkel.»
«We moeten ook vooruit kijken. Ik hoop dat we met de verklaring van Leuven een sterke klemtoon leggen op de sociale dimensie en de maatschappelijke missie van hoger onderwijs. Wij moeten een aanzet geven opdat de doelstellingen inzake democratisering en toelating tot het hoger onderwijs worden omgezet in harde tastbare resultaten. Ook rond meer klassieke doelstellingen zoals mobiliteit moeten we een benchmark formuleren.»
Veto: Zal er gesproken worden over een Europese ranking?
Vandenbroucke: «Ik verzet mij heel erg tegen zogenaamde reputaties van instellingen, die verzorgd worden door handige marketingjongens. Onbewezen reputaties geven te vaak een doorslag bij de keuze van een instelling door studenten.»
«Ik verzet me evenzeer tegen de terreur van internationale rankings zoals de Shangai Ranking of de Times Higher Education Supplement Ranking. Dergelijke rankings zijn erg subjectief en eenzijdig en zijn louter gestoeld op prestaties in wetenschappelijk onderzoek, vaak dan nog in welbepaalde branches. Als je die rankings niet wil ondergaan, moet je zelf een informatiesysteem op punt stellen. Studenten, onderzoekers en anderen moeten de mogelijkheid hebben om het onderscheid te maken tussen verschillende types van universiteiten en hogescholen op basis van meerdere soorten bekommernissen.»
«Ik zeg dat omdat ik een socialist ben. Onderwijs maakt deel uit van de publieke ruimte, niet van marketingprincipes. Je moet voor transparantie en helderheid zorgen. Ik hoop dat de verklaring van Leuven de neuzen in dezelfde richting krijgt. Dat iedereen meestapt in die oefeningen inzake classificatie en ordening. Dat mensen inzien dat ééndimensionale rankings niet de meest correcte maatstaven zijn, maar dat je wèl maatstaven nodig hebt.»

Dwang


«We eindigen met een forum waar we landen die geen lid zijn van de Bolognaclub hebben uitgenodigd - Brazilië, India en wat kleinere landen. We willen in dialoog gaan, maar niet als missionarissen. Die landen zijn zich qua kennisontwikkeling razendsnel op ons niveau aan het begeven. Als Europa moeten we ons afvragen welke rol we spelen in de wereld. En hoe de rest van de wereld bij ons een nuttige rol kan spelen. Hopelijk wordt dat het begin van een proces van dialoog en niet een zoveelste culturele akkoordje. Mijn verwachtingen zijn hooggespannen.»
Veto: Hoe worden luie landen aangespoord om de doelstellingen alsnog te halen?
Vandenbroucke: «Het Bolognaproces werkt met zachte dwang: «I»naming and shaming. Er gebeurt "stocktaking", d.w.z. de resultaten worden opgevolgd. Kort voor de conferentie worden de resultaten daarvan gepubliceerd. We gaan ervan uit dat landen die rode scorecards halen onder druk worden gezet om beter te doen. Het Bolognaproces is een van de weinige voorbeelden in de wereld van geslaagde coördinatieprocessen op basis van zachte dwang.»

Financiering


Veto: Even een terugblik op enkele grote dossiers waarmee u de afgelopen jaren afrekende. Zijn er al zichtbare resultaten van het financieringsdecreet?
Vandenbroucke: «Voor het hoger onderwijs werd er een extra budget van 120 miljoen euro gecreëerd, dat is een stijging van 10 procent tegenover de vorige legislatuur. Een groot deel daarvan hing rechtstreeks samen met het nieuwe financieringsdecreet. Maar we zijn er nog niet. De volgende regering moet minstens zoveel investeren in hoger onderwijs. Vlaanderen doet het met minder geld even goed of zelfs beter dan naburige landen, maar er zit een limiet aan onze rekker.»
«Het belangrijkste onderdeel van het financieringsdecreet is de verdeelsleutel. Vaak vertrekt men bij het opstellen van een dergelijke decreet van een wat boekhoudkundige benadering en verdeelt men zodat niemand al te kwaad is, waarbij de doelstellingen waarrond het zou moeten draaien uiteindelijk uit het oog verloren worden. Ik ben echter vertrokken vanuit een maatschappelijke opdracht. In die opdracht zitten spanningen en een financieringsmodel moet de instellingen aanzetten om daarin uit te blinken maar ook het goede evenwicht te vinden.»
«We sporen hogescholen en universiteiten aan om overeenkomstig hun profiel en opdracht aan topwetenschappelijk onderzoek te doen. Tegelijkertijd stimuleren we de instellingen om aan opwaartse mobiliteit te doen, daar krijgen ze een flinke extra voor.»
«Maar het volstaat niet dat een gediversifieerd studentenpubliek zich inschrijft: de uitstroom van studenten is evenzeer belangrijk. Daarom zochten we een genuanceerd evenwicht tussen het aantal gerekruteerde studenten en het aantal studenten dat effectief een diploma haalt. We geven meer dan 50 procent extra voor beurs- en werkstudenten en voor studenten met functiebeperking. Ik denk dat we erin geslaagd om die maatschappelijke missie overeind te houden. Daar ben ik tevreden over.»
«Het geld is er. De vraag is nu: wat doe je daar mee? Ik heb bij het begin van vorig academiejaar de universiteiten opgeroepen om effectief een rol te spelen in de tweede democratiseringsgolf.»
Veto: Het was een groot en scherp debat, met twee grote betogingen. Grote zorg van de betrokken partners was dat de outputfinanciering de onderwijskwaliteit zou laten dalen.
Vandenbroucke: «Er is nooit één enkel antwoord of eenduidig recept. Je moet een evenwicht vinden tussen doelstellingen. Wat men de outputfinanciering noemt, is een delicate mengvorm van input- en outputfinanciering. In de eerste selectieperiode speelt louter de inputfinanciering. Pas als een student 60 studiepunten verworven heeft, gaat het financieringsmodel aan de instelling vragen: wat verwerft hij verder? Tijdens die hele eerste fase wordt de instelling dus gefinancierd op basis van het aantal studenten dat zich aanmeldt.»
«Er wordt gekeken naar de studievoortgang van iedere student die zijn eerste zestig studiepunten behaald heeft. Als dat het énige is wat telt in het financieringssysteem, dan zou je natuurlijk in de verleiding kunnen komen om het niveau te laten zakken. Daarom is een groot stuk van de financiering afgesteld op topwetenschappelijk onderzoek. Vergeet de kwaliteitszorg niet: die heeft met haar visitaties en accreditaties reeds bewezen heeft dat ze nogal wat tanden heeft.»
Veto: In uw financieringsmodel gaat 45% van de middelen naar onderzoek. Dat is behoorlijk veel.
Vandenbroucke: «Daar ben ik het niet mee eens: die verdeelsleutel weerspiegelt het unieke van het academische model. Er wordt niet enkel kennis doorgegeven, kennis wordt ook gecreëerd. Je moet in een omgeving terechtkomen waar de ene over de publicatie van de andere zegt: dat is fout.»
«We moeten sterk op wetenschappelijk onderzoek inzetten. Dat is ook belangrijk voor instellingen met een kleiner studentenaantal zoals de Vrije Universiteit Brussel. Die zeiden: "jaja, dat decreet is helemaal op maat geschreven van Leuven of Gent." Nee, als de VUB sterk is in onderzoekswerk, varen ze daar op termijn wel mee.»

Rationalisering


Veto: De rationalisering lijkt wel een werk van erg lange adem.
Vandenbroucke: «Het is een marathon, maar mijn bedoeling is dat we hem uitlopen. Omdat we gepoogd hebben heel het hoger onderwijs bij de plannen te betrekken, vertrokken we beter dan ooit tevoren. We hebben iedereen rond de tafel gezet in de commissie-Soete. Ik vond het onmogelijk om te pleiten voor meer geld voor hoger onderwijs als de instellingen zelf geen verantwoordelijkheid namen om een beter georganiseerd aanbod te creëren. Daarop heeft de commissie-Soete rapporten gepubliceerd met een aantal krijtlijnen die aanvaard werden door alle aanwezige partijen en hun achterban.»
«De commissie heeft niet enkel becijferd wanneer een opleiding te klein is. Ze heeft ook aangegeven welke nuances bij die cijfers horen. Een kleine opleiding is mogelijk zeer uniek of wetenschappelijk erg belangrijk. Anderzijds valt een 'grote' opleiding intern soms weinig rationeel te noemen. Als overheid hebben we een aantal algemene procedures vooropgesteld om die problemen aan te pakken.»
«Ik ben voor gelijke kansen in een excellent hoger onderwijs. Dat veronderstelt dat je de beschikbare middelen optimaal inzet. Je moet opleidingen uitbouwen met bepaalde onderzoekssterktes, waar aan studenten een overzichtelijk landschap wordt aangeboden. De rationalisering is ook in het financieringsdecreet opgenomen, er wordt dit jaar tien miljoen euro aan gespendeerd.»
Veto: De bal ligt nu in het kamp van de instellingen?
Vandenbroucke: «We houden de instellingen niet bij het handje: ze moeten hun plannen zelf uitschrijven per studiegebied. Alle instellingen kregen een brief met onze verwachtingen. Op 30 juni moeten hun plannen ons bereikt hebben, de volgende regering zal de plannen beoordelen. Ik hoop dat er deze keer vooruitgang wordt geboekt. Rationalisering is een oud zeer, nu moeten we slagen.»

Inkanteling


Veto: Hoe moet het verder met de inkanteling nu het inkantelingsdecreet er niet komt?
Vandenbroucke: «Het draagvlak is momenteel onvoldoende, er is teveel politieke weerstand. De inkanteling is een genuanceerde afweging. Er zijn meer elementen pro integratie dan contra. Door inkanteling wordt ons hoger onderwijssysteem transparanter tegenover de rest van de wereld. Je vermijdt zo ook een domme territoriumstrijd tussen de hogeschool met academische opleiding en de universiteit, waarbij de ene studenten probeert af te snoepen van de andere door opleidingsprofielen te ontwikkelen die dicht in de buurt komen van wat de andere aanbiedt. Leg alles in één hand, en je kan dergelijke verschijnselen tegengaan.»
«Denk ook aan de kwaliteitsgarantie: inkanteling heeft enkel zin als je de hogescholen met hun professionele bachelors zeer nauw betrekt bij het leven van de universiteit. De associaties hebben daarin een belangrijke rol te spelen. Als er een decreet komt, moeten er nauwe banden gegarandeerd worden tussen instellingen, eventueel door kruiselings in elkaars raden van bestuur te zetelen. We moeten ervoor zorgen dat hogescholen organisatorisch en financieel sterk blijven.»
Veto: Wat zal er gebeuren met de visitaties vanaf 2012-2013? Wordt het Nederlands model van accreditaties per instelling gevolgd?
Vandenbroucke: «Ik wil dat Nederlandse aspect even nuanceren. Er zijn verschilpunten tussen de manieren waarop er wordt gevisiteerd en geaccrediteerd. Wij visiteren vanuit de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse HogescholenRaad, in Nederland visiteren private bedrijven. Wij gaan uit van een verbetertraject, de Nederlanders niet. Toen de opleiding Arabistiek niet geaccrediteerd werd, hebben wij hen de kans gegeven zich te verbeteren. De Nederlanders kijken evengoed naar ons systeem en vinden dat interessant.»
«Momenteel twijfelt men in Nederland tussen accreditatie op opleidings- en instellingsniveau. De waarheid lijkt me een combinatie van beide systemen. Het staat buiten kijf dat iedere opleiding qua inhoudelijke aanpak best apart beoordeeld wordt. Maar er zijn eigenschappen van een instelling die voor iedere opleiding opgaan. Die kunnen per instelling geaccrediteerd en gevisiteerd worden. Dat laat toe om de administratieve last en stress van de opleidingen te verlichten. Differentiatie is daarbij van belang.»
«Er loopt nu een pilootproject van de Nederlands-Vlaamse AccreditatieOrganisatie waar samen met de Nederlanders gedacht wordt over de meerwaarde van een instellingsbenadering. Daar moeten we lessen uit trekken, maar het is vooralsnog te vroeg om een beslissing te nemen.»

Geduld


Veto: U zou graag herverkozen worden.
Vandenbroucke: «Het zal sowieso een tripartite worden. De vraag is of men een coalitie maakt met Sp.a of met Lijst Dedecker. Ik hoop dat we sterk genoeg uit de verkiezingen komen.»
«Ik wil mezelf graag opvolgen. In een beleid zit een leerproces. De kennis die ik de afgelopen jaren opdeed, zou ik graag valoriseren. Ik geloof niet in politieke managers die ergens binnenkomen en meteen weten wat ze gaan doen. Als je een aantal grote hervormingen wil doorvoeren, dan moet je ze lang genoeg opvolgen. Nu heb ik het over rationalisering en over het verwezenlijken van de Bolognaverklaring van Leuven.»
«In een tweede termijn zou ik graag werk maken van een volledig geactualiseerde regelgeving voor de sociale voorzieningen. Het budget van de sociale voorzieningen voor hogescholen is sinds dit jaar op hetzelfde niveau als dat van de universiteiten, maar de regelgeving moet worden opgefrist. Er is ook de tweede accreditatieronde. In een tweede mandaat zou ik tenslotte, op basis van de verworven ervaring, zelfkritisch en met de nodige afstand kunnen kijken naar wat we de voorbije tien jaren hebben verwezenlijkt met ons hoger onderwijs en waar nodig bijsturingen en correcties voorstellen. Daar heb ik erg veel zin in.»
Veto: Wat vindt u totnogtoe uw grootste verwezenlijking inzake hoger onderwijsbeleid?
Vandenbroucke: «Ik heb steeds gestreefd naar gelijke kansen voor iedereen voor het hele onderwijs, ongeacht de achtergrond van iemand. Het enige wat telt is de inzet en het talent van de student in kwestie. Niet de vraag naar rijk of arm of de taal die ze thuis spreken, of het feit dat de ouders veel kaas van onderwijs hebben gegeten. Daarop heb ik alle financieringssystemen afgestemd: het volwassenenonderwijs, de werkingsbudgetten in het leerplichtonderwijs, de financiering van het hoger onderwijs. In alle bescheidenheid: ik ben blij dat ik dat uitgangspunt nooit heb moeten verloochenen.»
Veto: En uw grootste frustratie?
Vandenbroucke: «Je moet niet aan politiek doen als je stopt bij de eerste de beste frustratie. Ik houd niet van politici die klagen over het vak. Je hebt erg veel tijd nodig om effectief veranderingen door te voeren. Decreten en besluiten vragen eindeloos veel procedurele stappen. Vaak is er na een lang debat dat tot eensgezindheid heeft geleid, nog een veel langere periode waarin allerlei hindernissen de kop opsteken. Geduld is een goede eigenschap.»