maandag 20 april 2009 - jaargang 35 - nummer 21
Dagboek van kandidaat-rector Geert Janssen (8)
Verstrengelde handen, verschrikte gezichten
Student en rectorskandidaat Geert Janssen is sterker uit de vastentijd gekomen. Zijn lichaam is gelouterd, zijn hele wezen klaar om de laatste weken van de campagne te beheersen. Intussen blijft hij de tijd vinden om een en ander te noteren in zijn dagboek.
Nègre
Paasmaandag. «Reeds sedert de retorica wens ik een mens te zien. Niet noodzakelijkerwijs die waarover Drs. P het heeft - "Mensen die jengelen, mensen die bulken, mensen die lasteren, schimpen en pulken..." - maar toch een mens, iemand waarvan de menselijkheid afstraalt als was het goedaardige radioactiviteit. Iemand die waarachtigheid in zijn woorden legt, zonder daarvoor te moeten veinzen. Iemand die meer is dan een tweevoeter zonder pluimen, iemand tegen wie Alexander de Grote zou zeggen: "Indien ik Alexander de Grote niet was, dan zou ik jou willen zijn."»«Vrienden, kennissen, collega's en bewonderaars van me hebben me de laatste weken gelukkig iets belangwekkends doen inzien. Hun woorden zijn even banaal als de mijne, maar de oprechtheid ervan schokt en ontroert me. "Kijk in de spiegel, Geert, dan zie je zo'n mens..."» Woensdag. «Een restaurantje in de Krakenstraat, ik rust uit bij een beruchte musketier. Een avond zonder stress, daar taal ik naar. Alertheid is evenwel steeds en overal geboden, zo blijkt na het voorgerecht (een eminente bisque van schaaldieren met enkele grijze garnalen en een subtiel lookbroodje): een concurrerende kandidaat-rector schrijdt binnen met in zijn kielzog een baron annex oud-rector! Ik zie nog net dat hun verstrengelde handen zich van elkaar losmaken, voor hun verschrikte gezichten in mijn richting blikken.»
«Later op de avond krijg ik telefoon van de baron: ook mij wil hij het genoegen schenken geborgenheid te zoeken in zijn armen. Ik bedank vriendelijk, wellicht vriendelijker dan zou moeten. Maar wie kan ooit Schiller vergeten? Der Siege göttlichster ist das Vergeben.» Donderdag. «Een rector, zoals ik die zie, mag zich niet bezighouden met trivialiteiten: de minimis non curat praetor, nietwaar? De angel van die uitspraak zit 'm in de vaagheid van de minimis. Inderdaad: ik ga vanaf één augustus niet met de grootste nauwgezetheid mijn eigen toespraken of teksten nalezen en het kan me weinig tot niets schelen welke schilderijen er in mijn kantoor komen - zo lang ik er zelf maar op sta, natuurlijk.»
«Maar spreken met de studenten, luisteren naar de personeelsleden, visites brengen aan faculteiten, departementen en onderzoekscentra. Zijn dat kleinigheden? Neen. Daarom presenteer ik me dezer weken met gezonde ootmoed aan zo veel mogelijk leden en lieden van onze prachtige universitaire gemeenschap. Misschien zie ik wel meer mensen dan ik in de retorica nog voor mogelijk had gehouden.»
«Somtijds spreekt men mij aan, dat heb ik graag. Zo ook vandaag: wijl ik koffiedik zit te kijken in de droesem van mijn bierglas, hoor ik een vrouw spreken. "Mijnheer Janssen, waarom gebruikt u geen slogan? Het is de kers op de taart, de kruin op de baobab, het hoofd op het lijf, het gekaramelliseerde laagje op de crème brûlée, het vuur op de kaars, de kam op de cello, de eikel..."
Ik onderbreek haar geringschattende maar goedbedoelde uitlating en pareer: "Een slogan, lieve vrouw, dient enkel om kiezers te strikken, niet om een visie uit te dragen. Wat ik wens te doen als rector is niet een kortstondig electoraal succes boeken middels slogans en gratis vaten, maar de toekomst van onze instelling veiligstellen. En daarvoor is geen tijd te verliezen: die toekomst begint vandaag."»