maandag 4 mei 2009 - jaargang 35 - nummer 23
Ministers en hun plannen
Bologna na 2009
Het is waarschijnlijk niemand ontgaan dat er vorige week in Leuven iets groots is gebeurd. De zwaar bewapende en bereden politiepatrouilles waren er niet enkel om studenten lastig te vallen, maar eveneens om de 46 Europese ministers en aanverwanten die in de centrale bibliotheek waren neergestreken te beschermen.
Ruben Bruynooghe & Roel Moeurs
De reden hiervoor was de tweejaarlijkse opvolgconferentie van de landen die de Bolognaverklaring onderschreven en dus in de Europese Hoger OnderwijsRuimte (EHOR) gestapt zijn. Die verklaring, al tien jaar geleden door de toenmalige Europese lidstaten goedgekeurd, stelde een aantal doelstellingen voorop die het Europese en bijgevolg ook het Vlaamse hoger onderwijs grondig hebben veranderd.Mobiliteit is een belangrijke peiler van de Bolognaverklaring. De Europese ministers hebben in hun laatste communiqué dan ook nieuwe, ambitieuze doelen voor studentenmobiliteit gezet. Tegen 2020 moet twintig procent van de studenten die afstuderen een tijd in het buitenland verbleven hebben in het kader van hun studie. Om deze doelstelling te verwezenlijken werd al in 2008 volop campagne gevoerd door de European Student Union (ESU) en Education International (EI). Met de slogan "Let's go!" verleidden ze zowat elke student het buitenland aan te doen. Maar mobiliteit houdt niet op bij de studenten, ook onderzoekers en personeel worden nogmaals aangepord buitenlandse ervaring op te doen.
Sociaal
Sinds de Bolognaconferentie van 2001 in Praag spreken de ministers ook over de sociale dimensie van het hoger onderwijs. Het hoger onderwijs weerspiegelt te weinig de diversiteit van de Europese bevolkingslagen of zoals de Bologna Follow-up group (BFUG) het aspect sociale dimensie definieert "the student body entering, participating in and completing higher education at all levels should reflect the diversity of our populations." Ook in Leuven ontbrak het aspect sociale dimensie niet op de besprekingen. Er werd besloten dat in de komende tien jaar elk deelnemend land doelen moet vooropstellen om minderheidsgroepen tot studeren aan te zetten.Vooral dit aspect belooft spannend te worden als je bedenkt dat het onderwijsbeleid in sommige deelnemende staten allesbehalve sociaal te noemen is. In vele landen werd het inschrijvingsgeld net opgetrokken en werd er bespaard op studiefinanciering. Nederland zal in 2018 inschrijvingsgeld vragen dat een derde duurder is dan vandaag. Ook in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk vallen op dezelfde manier steeds meer studenten uit de boot. David Lammy, de Britse minister van onderwijs ontkende echter dat er bij hem en probleem met studiegelden waren, ze hebben immers "een maximum van 3000 pond" (3400 euro, red.).
De eeuwige student werd op de Bolognaconferentie van Leuven in de bloemetjes gezet. Levenslang leren is voor Bologna het educatieve principe. Een mens moet zijn hele leven in staat en gemotiveerd zijn om te studeren en bij te leren. De maatschappij moet daartoe de mogelijkheden verschaffen. Met het 'Leuvens communiqué' onderschrijven de ministers dit principe opnieuw. Bovendien manen ze zowel hun overheden als de onderwijsinstellingen aan om de handen in elkaar te slaan en mogelijkheden aan te bieden om bij te scholen. Dat de implementatie van dit doel een werk van lange adem zal worden, begrijpen de ministers zelf ook. Als oplossing pleiten ze voor de ontwikkeling van een nationaal kwaliteitskader tegen 2012.
Informatie
Een vierde aandachtspunt is informatie. Het Bolognaproces is altijd een werk geweest met verschillende snelheden. Dit leidde niet alleen tot een versnipperd onderwijslandschap, maar ook tot een gebrek aan eenduidige betrouwbare informatie. Ook op deze conferentie werd dat laatste pijnlijk duidelijk: de ministers bleken niet over voldoende of actuele gegevens te beschikken over de onderwerpen van de debatten. Dat verklaart ook de expliciete vraag naar het "verbeteren en versterken van gegevens" in paragraaf 21 van het communiqué. De ministers roepen gezamenlijk op om dringend werk te maken van 'mechanismen' die duidelijk maken hoe het nu staat met elk land en haar instellingen. Die 'tools' moeten kwaliteit herkennen en stimuleren. Europa gebruikt uitdrukkelijk niet het woordje rankings. De Finse minister stelde dan ook dat "rankings niet het antwoord zijn." Toch is er enige verandering op til, want op de persconferentie stelde de Europese Commissaris wel voor dat er een objectief, Europees rankingsmodel moest komen.Concreet
Het blijft echter bij voorstellen en algemene formuleringen en dat is net wat deze en eerdere conferenties wordt verweten. Niet verbazend dat er een gebrek is aan concrete invullingen als de Beneluxvoorzitters zelf tijdens de discussie stellen dat er over bepaalde zaken zoals financiering beter niet gediscussieerd kan worden omdat anders de tekst aangepast moet worden. Maar of zo'n houding snel zal leiden tot een eengemaakte Europese Hoger OnderwijsRuimte is maar zeer de vraag.