Maandag 28 september 2009 - jaargang 36 - nummer 02
Dwangmatige vuilbekkerij
U kent ze wel, De Dolfijntjes, het jolig West-Vlaams quintet rond Wim Opbrouck met als kloppend hart twee accordeons. Na de release van hun titelloze album maken De Dolfijntjes de Vlaamse concertzalen weer onveilig met hun prettig gestoorde shows. Op donderdag 24 september strandden ze in de Leuvense Minnepoort. Wij konden er helaas niet bij zijn, maar hadden een gezellige babbel in het herfstzonnetje met artistiek Dolfijntjesbrein Wim Opbrouck en enkele mede-Dolfijntjes.
Pieterjan Bonne & Bet Bosselaers
Veto: Op het podium bent u altijd heel enthousiast. Staat uin de coulissen te popelen om op te komen?
Wim Opbrouck: «Nooit. Nooit.»
Veto: Hoe komt dat? Peppen jullie elkaar dan niet op?
Opbrouck: «Ik ben iemand die liever met rust gelaten wordt. Dat mee-eten, daar doe ik ook niet aan mee. Eén hap en gedaan. Ik loop eigenlijk graag rond in de steden. Wat slenteren en zo laat mogelijk naar binnen.»
Veto: Hebben De Dolfijntjes nog energie over na een optreden?
Opbrouck: «Nog veel! Dat zie ik toch de laatste tijd. Er wordt nog stevig uitgegaan na een optreden. Door bepaalde Dolfijnen, hé. Ik ben dan de meest ernstige, heb ik het gevoel. Ik voel mij eerder biologisch de braafste. (lacht)»
Veto: Voelt u zich als artiest afhankelijk van het enthousiasme van het publiek?
Opbrouck: «Ja, dat wel. Aan de andere kant maakt het mij ook niet zoveel uit. Tegenwoordig haal ik mijn plezier uit het spelen zelf. Maar halverwege moet het wel omslaan, als je voortdurend voelt dat er geen reactie is. Sommige zalen zijn meteen enthousiast en bij andere zalen gaat dat iets trager. Maar dat wil niet zeggen dat ze zich niet amuseren. Je kan zoiets ook niet forceren.»
Veto: Merkt u een verschil tussen een studentenpubliek of een breder, ouder publiek? Heb je een voorkeur?
Marc Holvoet (gitarist): «Soms merk je wel dat mensen niet meteen voor De Dolfijntjes zelf komen en dan komt het pas op gang na de verwondering bij het begin van het optreden. Op een festival komt het publiek voor de naam in kwestie.»
Opbrouck: «In de Capitole in Gent had je duidelijk een publiek van niet-abonnees die hun ticket speciaal kopen voor De Dolfijntjes. In andere zalen gaat het soms met abonnementen: dat publiek moet je dan weer veroveren. Die mensen zitten soms wat raar te kijken. Ik heb graag een mengeling, maar toch liefst een overwegend jong publiek.»
Veto: Hoe zit het met jullie naambekendheid als 'De Dolfijntjes'? Voelen jullie die sterker in West-Vlaanderen of in het Gentse dan in Limburg of Vlaams-Brabant?
Opbrouck: «Ze kennen mij natuurlijk. Ze komen dan vooral vanwege het feit dat ze theatervoorstellingen van mij hebben gezien, of televisiewerk. Toch ben ik in Limburg soms verwonderd wanneer ik zie dat ze De Dolfijntjes daar ook kennen. Maar je kan ook in een zaal terechtkomen waar niemand je muziek kent. En die muziek is dan ook verrassend tegendraads. Dan is het niet van het begin tot het einde 'pret'.»
Johnny Turbo
Veto: Vroeger was er heel wat vuilbekkerij te horen in jullie shows. Nu is dat er wat uit.
Opbrouck: «Dingen als Zeise, Zeise, Zeise: dat kan je niet blijven doen. Ik heb het daarmee gehad. Het vuile zit er nog in, maar nu is het meer 'dwangmatig'. We onderdrukken het, maar soms komt het nog naar boven en dan is dat niet tegen te houden. We belanden daar nu nog vooral in via de figuur van Cindy, het alter ego van Wim Willaert.»
Veto: Wiens idee was de clip van 'Kom toch were', waarin allerlei autobotsingen achterwaarts en gemixt worden afgespeeld?
Opbrouck: «We zijn altijd op zoek naar goedkope middelen om een clip te maken. Het was Dick Vanhoegaerden, de drummer, zijn idee om die clip van 'Kom toch were' te maken. Hij wou iets dat achteruit ging en die beelden heeft hij van het internet geplukt. 'Margrietje', dat is ook zo'n clipke met weinig middelen, net als 'Oltid tzelfste'.»
Veto: 'Margrietje' is een lied van de West-Vlaamse bard Johnny Turbo. Is hij één van de muzikale voorbeelden van De Dolfijntjes?
Opbrouck: «Niet echt. Ik vind het een prachtige tekst, maar de muziek vind ik waardeloos.»
Veto: Naar welke muzikanten kijken jullie dan wel op?
Opbrouck: «Jonathan Richman, Ween, Frank Zappa, sommige nummers van Eels, Devo, The Flaming Lips, Madness, The Specials...»
Veto: Jullie hebben ooit op een dak van een werf gespeeld in Harelbeke. Ideetje van The Beatles?
Holvoet: «Dat was zeer tof. Het idee was toevallig, omdat dat daar net mogelijk was. Het was eigenlijk de bedoeling om een beetje akoestisch te spelen tussen het publiek in het park, maar we moesten een manier vinden om zichtbaar te blijven.»
Veto: De meeste van jullie liedjes zijn in het West-Vlaams. Is dat een makkelijkere taal om jezelf in uit te drukken?
Opbrouck: «We hebben lang geen teksten van onszelf gebracht. We zongen in alle talen: Portugees, Frans, Duits. Enkel flarden en cross-overs en een stukske van dit en een stukske van dat was van ons. Op een gegeven moment was ik dat beu. De muziek was van ons, al zat er eens een riff in van Deep Purple ofzo. Je kan dat vergelijken met deejayen, maar wij deden dat dan live. Ik was het beu om die muziek altijd 'weg te geven'. Toen dacht ik: ik schrijf het vanaf nu zelf. Maar daar is wel vijftien jaar over gegaan.»
Veto: Is er ook veel muzikale inbreng van de andere Dolfijntjes?
Holvoet: «Er wordt een bepaalde riff of een basisschema aangebracht, meestal door Wim, en daar zoekt iedereen zo'n beetje zijn weg in. Daar wordt dan op verder gegaan. Soms komen er ook in de soundcheck dingen naar boven waar we dan op verder werken.»
Veto: Er zit dus wel wat improvisatie in de voorstelling.
Opbrouck: «Zeker. Voor de cd hebben we dat wel achterwege gelaten.»
Disneyland
Veto: Een klein punt van kritiek is dat op jullie cd alles veel afgelijnder klinkt dan tijdens een liveshow van De Dolfijntjes.
Opbrouck: «Het was nu ook wel de bedoeling om iets te maken dat absoluut niet 'live' klinkt. We hebben lang en serieus in de studio gezeten, anders is die cd niet te beluisteren. We noemden het 'Disneyland voor volwassenen': we hadden de duurste studio geboekt die er te boeken viel, de ICP in Brussel, waar ook Arno en zelfs The Cure hebben opgenomen. Dat was fantastisch! We hebben daar een kleine week gezeten en geslapen. Ik wilde dat echt eens zo.»
Veto: Komen er nog cd's of projecten van De Dolfijntjes?
Opbrouck: «Dat zouden we graag willen. En inderdaad, met die soundchecks beginnen er dan dingen naar boven te komen. Maar ik heb goesting in nieuwe dingen. Andere muziek enzo. Voor ons is dat ook geen must of een verplichting, want wij moeten daar niet van leven. Maar het is wel heel tof om te doen. Zo'n plaat is ook duur, dus je kan er maar aan beginnen als de middelen er zijn. Et voilà the gang.» (De andere Dolfijntjes komen aangewandeld)
Cindy
Veto: Dag Cindy, hebt u iets speciaals in petto voor ons? Iets choquerend?
Wim Willaert: «Komt wat komt, wat speciaals. Als ik iets voel komen, zal ik mijn muil opendoen. (lacht) En choqueer ik? Een kut is een kut hé, en een poes is een poes.»
Veto: Wat is de rol van Cindy als figuur?
Willaert: «Ze is per toeval ontstaan. Wim Opbrouck en ik hadden naar een lp geluisterd van Frank Zappa, Joe's Garage, en er komt daar een muzikale scène in waarbij ze een blondine het podium oproepen voor een wet-t-shirt-contest. Die bleef maar op het podium staan en zo "mmmm"-lachen. Wim had daar zo hard mee moeten lachen en op het optreden die avond zei hij plots: "Let's welcome Cindy on the stage". Toen is Cindy ontstaan en sindsdien is ze vast lid.»
Veto: Wim Opbrouck, hoe zit het nog met uw theater- en tv-werk?
Opbrouck: «Ik ben bezig aan een nieuw programma voor Woestijnvis waarvoor ik vandaag in Leuven met Frieda Van Wijck heb gefilmd. Het programma gaat over de liefde voor eten. Nu film ik vooral in Nederland voor een totaal ander project: langspeelfilms. Ik heb nu een film die uitkomt in Berlijn, Kan door huid heen, die ook naar het filmfestival ging. Er komt ook nog een langspeelfilm uit in Nederland met Vivianne Demunck waarin ik de hoofdrol speel. Daarnaast bereid ik nog twee films voor.»
Veto: Nu we het toch over eten hebben: in 'Oltid tzelfste' zingt u over "minder eten, minder drinken, minder smoren". Is dat autobiografisch?
Opbrouck: «Dat is de terreur van "ge moogt minder dit en minder dat". Cola is niet goed, boter is niet goed. Van lang in je blote in de zon te liggen krijg je huidkanker. But we are all gonna die, hé. Het is die terreur van de lifestyle waar ik niet tegen kan.»
Magie
Veto: U bent nu artistiek leider van NT-Gent. Hoe bent u van plan daar je stempel op te drukken?
Opbrouck: «Diversiteit. Mijn stempel zal zijn dat het meer een huis van de verbeelding wordt, een plek waar verschillende kunsten samenkomen. Dat zit ook in mij: de plastische kunsten, het toneel, de muziek. Die schouwburg moet echt een platform worden waar er veel discussie over de kunst mogelijk is. Maar vooral magie. Dat is een raar en onnozel woord, maar dat ontbreekt er volgens mij wel. Het moet tegenwoordig politiek en correct zijn en ik vind dat nu net niet. Het moet een plek zijn waar alles kan en zeker geen plaats die concurreert met de cinema.»
Veto: Wilt u het toneel uit het elitaire halen?
Opbrouck: «Zeker niet, misschien zelfs bij momenten nog elitairder maken. Het moet wel opener worden, vooral inhoudelijk dan. Denken rond zo'n schouwburg is nu erg politiek en dat is denken rond macht. Ik wil liever vanuit het sprookje vertrekken; indirect kan het dan wel over politiek gaan. Ten eerste ben ik te weinig onderlegd in politiek om er een serieus discours over te hebben, en ten tweede vind ik dat het theater een plek is voor vertellingen. Soms elitair en soms lekker laagdrempelig. Zonder wetten, zonder dogma's.»
Veto: Een laatste culturele vraag: heeft u het Leuvense Museum M al bezocht?
Opbrouck: «Ik ben een echte museumjunkie. Ik ben iemand die 's nachts thuiskomt van een optreden, dan vroeg vertrekt om te gaan filmen en dan nog vlug naar het museum loopt, en daar in de rij gaat staan om die schilderijen te zien. Ik vond Museum M fantastisch! Het gebouw is wel nog een beetje een labyrint, iedereen loopt daar rond met walkie-talkies. Ik heb het idee dat het nog niet al te goed is georganiseerd, maar het gebouw en die ligging vind ik wel heel bijzonder.»
Dit artikel verscheen op Maandag 28 september 2009 in nummer 02 van jaargang 36.
