Schrijver Koen Peeters op zoek naar Kempense roots

"Alles in dit boek is waar"

In zijn nieuwe roman 'De Bloemen' gaat de Leuvense schrijver Koen Peeters op zoek naar zijn wortels in de Kempen. Aan de hand van familiedocumenten reconstrueert hij het leven, de verlangens en de frustraties van drie generaties Peeters. Twee wereldoorlogen passeren de revue, maar ook een nooit helemaal opgehelderd incident waarbij Peeters' vader na een verkiezingsmeeting zwaar aangepakt wordt door extreemrechtse militanten speelt een belangrijke rol in het boek. Een gesprek met de auteur over diens meest persoonlijke roman tot dusver.

Michiel Leen & Martijn Sermeus

@@PEETERS.jpg

Martijn Sermeus


Veto: Net als u lijken veel Vlaamse auteurs dezer dagen in hun werk op zoek te gaan naar hun (voor)ouders. Denk maar aan 'Sprakeloos' van Tom Lanoye, of 'Edgard' van Marcel Vanthilt. Hoe zou u die trend verklaren?

Koen Peeters: «Een absolute voorwaarde lijkt mij dat je ouders gestorven moeten zijn. Afscheid nemen is niet gemakkelijk, maar het creëert wel een grotere vrijheid voor jou als auteur. Je kunt vrijer omgaan met je materiaal. Bij mij is het eerder toevallig gekomen. Ik kreeg van een oom een stapel brieven die zijn moeder, mijn grootmoeder, nog naar hem en mijn vader had geschreven tijdens hun kostschooltijd. Ik moest die brieven absoluut hebben, en ik ben ze dan beginnen overtypen. Gaandeweg ben ik er zelf dingen aan gaan toevoegen, letterlijk zoals het in het boek beschreven staat. De processen-verbaal van het incident waarbij mijn vader door het VMO in elkaar werd geslagen, kreeg ik van een andere oom. Ook daarmee kon ik aan de slag, ook al omdat er aan die zaak nooit gevolg is gegeven, en mijn broers en ik nooit het fijne van heel die traumatische situatie hebben geweten.»

Nonkel Jos


Veto: 'De Bloemen' is een erg persoonlijke roman geworden waarin een aantal naaste familieleden zelf als personages optreden. Hoe reageren zij op het feit dat ze hier, al dan niet in geromantiseerde vorm, worden opgevoerd?

Peeters: «Ik wil natuurlijk geen familieruzies. Het boek is wel degelijk opgevat als een eerbetoon aan mijn vader en grootvader. Ik heb dat ook zeer goed uitgelegd aan alle betrokkenen: heel wat familieleden hebben het boek te lezen gekregen om te zien of ik wel respectvol genoeg was geweest. Ik heb ook wel wat zaken aangepast en bewerkt. Maar ik ben met al het materiaal dat ik had heel omzichtig omgesprongen. Net daarom was het ook zo waardevol voor mij dat ik het eerste exemplaar van het boek aan mijn ooms heb gegeven. Je kunt niet zomaar met het beeld van hun vader, die ik zelf nooit heb gekend, aan de haal. Ik ben ook heel dankbaar dat nonkel Jos alles, maar dan ook alles bijgehouden heeft. Mijn vader bewaarde zulke dingen niet.»

«Voor de rest hadden mijn ooms ook wel begrepen dat dit literatuur is. Als hun jonge neefje, al is dat jonge neefje vijftig jaar, met hun verhaal aan de slag gaat, dan is dat literatuur en moeten we het ook zo bekijken.»


Veto: In het naschrift van de roman vertelt u de lezer dat "niets waar is in deze roman." Hoe groot is de afstand tussen de Koen Peeters die hier voor ons zit en de verteller in de roman?

Peeters: «Mijn werk staat bol van dat soort formules. Het is natuurlijk ook een vuile truc van schrijvers om niet teveel inzage te geven in hun privéleven. Langs de andere kant is eigenlijk alles wat er in het boek staat waar. Anderzijds zit er ook veel verbeelding in; het boek gaat tenslotte voor een groot deel over mensen die ik niet persoonlijk heb gekend en over een tijd die ik niet zelf heb beleefd. Die familieleden werden personages en ik heb mij geprobeerd mij in die personages in te leven. Zo beleefde ik de ethische reflex van mijn vader, een reflex die mensen drijft tot politiek, waar ik een hele hoge pet van op heb (Peeters' vader was volksvertegenwoordiger voor de Christelijke Volkspartij). Maar natuurlijk zegt dat ook veel over mij, over hoe ik denk dat politiek moet zijn. En natuurlijk ook hoe ik als kind naar mijn vader opkeek. Mijn broers en ik zagen hem zelden en bij zijn werk in Brussel konden wij ons niets voorstellen, maar we hadden een grenzeloze bewondering voor hem en zijn werk. En dat zie je ook in de roman, denk ik.»


Veto: In de roman wordt er wel heel wat over de Kempen gesproken. Is 'De Bloemen' een hedendaagse streekroman?

Peeters: «Dat is natuurlijk het allerlaatste wat ik wilde schrijven. Ik heb me tot nu toe vooral met universele dingen bezig gehouden. Mijn vorige roman ging bijvoorbeeld over Europa. Bovendien zijn de Kempen zowat het literaire territorium geworden van auteurs als Leo Pleysier en Walter Van Den Broeck, die de streek schitterend in kaart hebben gebracht. Ik wilde daarvan afblijven. Een tweede reden is dat ik wel in de Kempen geboren ben, maar in Leuven woon en leef. Ik leef hier veel gelukkiger en veel beter dan in de Kempen. Ik ben blij dat ik daar weg ben! Ik woon in een stad - stadje - dicht bij Brussel, ik ben mobieler. En ik ben anoniem, terwijl mijn vier lieve broers, die in een dorp wonen, steeds rekening moeten houden met het oog van de straat. Ze vinden het zelfs prettig om in zo een nest te zitten. Ik niet.»

«Aan de andere kant zat ik wel met materiaal dat erg met de Kempen verweven is. In die zin zijn de uitspraken over de Kempen zelfs gefilterd door een soort vriendelijkheid, terwijl ik eigenlijk blij ben er weg te zijn. Het is een lelijke streek, om ver van weg te lopen. Veel Kempenaars verdwijnen naar elders, ze gaan als het ware op in de Groot Brabantse gedachte. Of in de wereld. The boy can leave the farm, but the farm can never leave the boy. Ik moest in die zin die losse wortels die nog in de Kempen lagen een plaats geven.»

Rwanda


Veto: In uw vorige roman schotelde u de lezer een dwarsdoorsnede van Europa voor. In 'De Bloemen' levert u een familieportret af. Wat mogen we in uw volgende roman verwachten?

Peeters: «Ik ben net terug uit Rwanda. Ik heb er weeshuizen bezocht theeplantages, koffiefabrieken, genocidenmemorialen enzovoort. Ook zusters en witte paters heb ik geïnterviewd. Heel interessant. Het was mijn eerste keer in Afrika. Als je, zoals ik, antropoloog bent van opleiding, moet je ooit toch eens in Afrika geweest zijn. Het is de bedoeling dat die ervaringen een weg vinden naar mijn volgende roman.»

Dit artikel verscheen op maandag 26 oktober 2009 in nummer 06 van jaargang 36.