maandag 23 november 2009 - jaargang 36 - nummer 09
Goed en slecht nieuws voor doctorandi
Vanaf 2012 financiële problemen?
Als de economie niet snel genoeg heropleeft, zal de K.U.Leuven vanaf 2012 minder doctorandi laten starten. Voor volgend jaar is de instroom nog verzekerd, zij het omdat de K.U.Leuven daarvoor eigen financiële reserves zal aanspreken. Maar de doctoraatsopleiding heeft ook nog met interne problemen te kampen.
Ruben Bruynooghe & Jelle Dehaen
In 2006 deed een publicatie van de Vlaamse Raad van Wetenschapsbeleid (VRWB) heel wat stof opwaaien. Uit die studie bleek dat slechts 34 procent van de doctoraatsstudenten zijn studies bekroonde met een doctoraat. De K.U.Leuven weerlegt deze cijfers nu echter met klem. De resultaten van de studie van het VRWB bleken de werkelijkheid niet correct weer te geven. Aan de K.U.Leuven hebben van de doctoraatsstudenten die in 2002 startten namelijk 85 procent succesvol een doctoraat verdedigd. De reden voor het lage cijfer van de VRWB-studie lag aan een slechte afbakening van de bestudeerde groep.
Die studie concentreerde zich immers op alle studenten met een masterdiploma die in een onderzoek werden tewerkgesteld, de zogenaamde juniors. Die junioronderzoekers zijn echter veelal mensen die slechts voor een beperkte onderzoeksopdracht werden aangenomen en nooit van plan waren te doctoreren.
Volgens vicerector Onderzoeksbeleid Peter Marynen is de uitval van vijftien procent van de doctoraatsstudenten een nauwkeuriger resultaat: "Je moet er bovendien rekening mee houden dat in die vijftien procent ook studenten zitten die al na twee weken stoppen omdat een doctoraat niets voor hen is. Betekent dat dat die mensen of de K.U.Leuven falen? Ik denk het niet."
Besparingen
Toch is het niet al rozengeur en maneschijn. Momenteel beginnen elk jaar een goede 750 studenten met een doctoraat aan de K.U.Leuven. De besparingen als gevolg van de economische crisis laten zich echter ook voelen aan de universiteit. Wetende dat een doctoraatsstudie per student ongeveer 35000 euro per jaar kost, lijkt een vermindering van die groep een aantrekkelijke besparingsmaatregel.
Marynen wil echter niet horen van een vermindering van de onderzoeksmandaten. "Als je bespaart, moeten dat herstelbare maatregelen zijn. Als je volgend jaar minder studenten laat doctoreren ben je dat talent voorgoed kwijt. Zoiets is onherstelbaar, de studenten die niet meteen na hun studies doctoreren zullen hoogstwaarschijnlijk nooit meer terugkeren naar de universiteit voor een doctoraatsstudie. In 2010 zal de K.U.Leuven haar eigen reserves aanspreken om een constante instroom te kunnen verzekeren maar als er tegen 2012 geen economisch herstel heeft plaatsgevonden, is er wel een probleem. Dan zal de universiteit waarschijnlijk toch op onderzoek moeten besparen en dat kan invloed hebben op het aantal doctorandi. Om hoeveel studenten het zou gaan blijft natuurlijk kristallen bol kijken "
Uitdagingen
De K.U.Leuven weet zich echter ook geconfronteerd met enkele interne uitdagingen. Zo geeft een vierde van de uitgevallen doctoraatsstudenten aan dat er een gebrek was aan begeleiding en ondersteuning van de promotor. "Een spijtige zaak" vindt Marynen. "Bovendien stellen we vast dat we te weinig professoren hebben die de grote aantallen jonge onderzoekers kunnen coachen."
Een ander aandachtspunt voor de universiteit is de duur van de doctoraatsstudies. 52 procent van de studenten met een onderzoeksbeurs van een extern fonds beëindigen hun studies binnen de vier jaar, over de hele universiteit ligt dit percentage op 38. Dat wil zeggen dat de studenten die niet over een onderzoeksbeurs beschikken, maar op een andere manier gefinancierd worden - door eigen middelen of een gesubsidieerd onderzoeksproject aan de universiteit - opmerkelijk langer over hun doctoraatsstudies doen.
Marynen onderkent het probleem: "Studenten met een beurs krijgen veel striktere termijnen opgelegd terwijl dit aan de universiteit veel losser gebeurt. Als er geld is om een student een paar jaar meer te laten doctoreren zal dit meestal ook effectief langer duren, maar dat zou niet mogen. Een langere doctoraatsstudie maakt geen betere doctorandus." Ook de werklast van studenten met een onderzoeksbeurs wordt strikter geregeld dan die van andere doctorandi. "Studenten met een beurs mogen maximaal vier uur per week onderwijsopdrachten of acht uur per week administratieve taken krijgen. Aan de universiteit zou dezelfde beperking moeten gelden, maar de controle daarop is minder strikt. Toch mogen we niet uit het oog verliezen dat de doctoraatsstudenten een meerwaarde beleven aan hun onderwijsopdrachten. Een doctoraatsstudie is een opleiding die in de eerste plaats gesteund is op het uitvoeren van onderzoek maar we mogen de bredere opleiding niet negeren," aldus Marynen.
Vrouwen
Een laatste opvallend punt in de cijfers is dat vrouwen na het behalen van hun doctoraat vaker dan mannen de academische wereld verlaten. Marynen reageert: "Een postdoctoraat is voor de meeste doctorandi een logische volgende stap in de opleiding want daar leren zij zelfstandig onderzoek te voeren. Eén verklaring is dat het postdoctoraat zich situeert in de periode waarop jonge koppels meestal denken aan het stichten van een gezin. Het zijn dan natuurlijk de vrouwen die lange tijd hun studies onderbreken, wat vaak tot een volledige stopzetting van hun academische carrière leidt."
"De oplossing die voor dit probleem moet aangereikt worden, is een grondige evaluatie van de postdocloopbaan. Er wordt ondertussen bekeken hoe we dat concreet zouden invullen. Zo zou er moeten voor gezorgd worden dat vrouwen makkelijker terug kunnen aanhaken na hun zwangerschap. Het blijft hoe dan ook verschrikkelijk dat we bijna de helft van ons onderzoekstalent verspelen."
Dit artikel verscheen op maandag 23 november 2009 in nummer 09 van jaargang 36. - Disclaimer