maandag 30 november 2009 - jaargang 36 - nummer 10
Exclusief: Ererector André Oosterlinck spreekt
"Den Oosterlinck beslist niks"
Wanneer we de vertrekken van ererector en associatievoorzitter André Oosterlinck betreden, valt onze mond meer dan wagenwijd open. Werkelijk: Le Grand Chic. Hier huist een machtig man, zoveel is duidelijk. Maar wanneer we het over zijn macht hebben, antwoordt de voorzitter gewiekst: "Ze zeggen altijd: den Oosterlinck beslist alles. Maar dat is niet waar, den Oosterlinck beslist niks."
Jeroen Deblaere & Maud Oeyen
Veto: De minister van Onderwijs wil een maatschappelijk debat over de academisering organiseren. Hoe moet een dergelijk debat eruit zien?
André Oosterlinck: «Het debat over de academisering had men moeten voeren toen men het invoerde, in 2003. In dat jaar heeft het Vlaams Parlement beslist om in de nasleep van Bologna van een drievoudig naar een tweevoudig hoger onderwijssysteem te gaan. Wij zijn daar toen mee gestart, we zijn met de Associatie begonnen, met integraties, met academisering. Nu zal het maatschappelijk debat zich moeten focussen op een aantal zeer specifieke zaken. Er kan bijvoorbeeld nog gediscussieerd worden over medebestuur, de vrijheidsgraden, de profielen. Wat is het verschil tussen bijvoorbeeld industrieel en burgerlijk ingenieur, tussen handelswetenschappen en toegepaste economische wetenschappen? Wat is de plaats van het personeel? Die debatten moeten we dus nog voeren. De belanghebbenden daarbij zijn de beide studentengroepen, de beide personeelsgroepen, de beide bestuursgroepen. Het maatschappelijk debat moet gevoerd worden binnen de lijnen van het decreet en binnen de lijnen van de commissie Soete. Het is fout om het maatschappelijk debat te zien als iets waarbij alles nog in vraag gesteld kan worden. Gelukkig maar, want anders zou het oeverloos worden.»
Veto: Onlangs werd bekend gemaakt dat de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB) en de Katholieke Hogeschool Sint-Lieven zich opmaken voor een fusie, en u had het in uw openingsrede over gesprekken die aan de gang zijn tussen instellingen in Antwerpen. Hoe ziet u die fusies verder evolueren?
Oosterlinck: «Het zijn geen echte fusies, het gaat eigenlijk om zeer ver doorgedreven samenwerkingsverbanden. Decreten erkennen instituten, en daar zijn onderwijsbevoegdheden en financiering aan gekoppeld. Over hoe we dat juist organiseren kan het decreet niet veel zeggen, omdat dat onder onze grondwettelijke vrijheid van organisatie valt.»
Solidariteit
«We willen de fijnmazige aanwezigheid van de hogescholen in de provincies Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen behouden, maar dat kan alleen lukken als we onze hogescholen daar in grotere verbanden laten samenwerken. Waarom zouden die elk een personeelsdienst, een financiële dienst en een gebouwendienst moeten hebben? Ze zouden beroep kunnen doen op de diensten van de universiteit. Op papier zal ik geen fusies doen, want ik zal er niet één school van maken. Het blijven twee scholen, maar wel met dezelfde raad van bestuur. Hetzelfde directiecomité dat ervoor zorgt dat die verschillende vestigingen optimaal functioneren. Op die manier ontstaat er ook solidariteit. Door grotere gehelen te maken kan je met communicerende vaten werken. Door diensten samen te brengen kunnen we onze opdrachten efficiënter en beter vervullen. Als je drie of vier hogescholen samenneemt, kunnen ze specialisten uitwisselen. De universiteit en de hogescholen kopen nu vaak samen dingen aan: elektriciteit, telefonie, gsm's. Daarmee bespaar je tien of twintig procent en het kost niets. Je kan synergiewinsten maken zonder dat die enig negatief effect hebben.»
Veto: Dat klinkt allemaal heel mooi, maar de hogescholen zien het vaak anders.
Oosterlinck: «Iedereen is graag baas in zijn eigen kot, hé. En hoe kleiner het is, hoe gemakkelijker. Maar moeten we dat dan accepteren? Je moet hen overtuigen en duidelijk maken dat er geen andere oplossing is.»
Veto: De West-Vlaamse hogeschool KATHO zag die doorgedreven samenwerking niet helemaal zitten?
Oosterlinck: «Daarmee zijn er ze niet vanaf, hé. Oost-Vlaanderen gaat nu samenwerken met Brussel, maar in West-Vlaanderen moeten we ook nog tot een grotere eenheid komen. Het één na het ander. Ik heb niet veel geduld, maar ik heb wel geduld. Er zijn verschillende grote dossiers waar ik mee bezig ben, dus ik laat wel eens een dossier een paar maanden liggen. Maar ik heb een zachte hand; ik pak alles stil en rustig aan. Of heb ik een ander imago misschien?»
Bedreiging
Veto: Er is ook heel wat argwaan bij de andere associaties.
Oosterlinck: «We hebben een goede samenwerking met de Associatie Hasselt; we hebben ook geen ruzie met de Associatie Gent. Antwerpen heeft het wat moeilijker, omdat Lessius een bedreiging zou zijn. Maar als iets een bedreiging is omdat het goed werkt, waar ben je dan mee bezig? Wij streven naar de beste resultaten voor Vlaanderen.»
Veto: Bij de opleiding Toegepaste Taalkunde (het vroegere Vertaler-Tolk) binnen de Leuvense Associatie is de academisering al verder doorgedreven dan bij de Antwerpse Associatie. Daar is de opleiding nog veel meer praktijkgericht. Bestaat het risico dat de opleidingen al te zeer zullen gaan verschillen?
Oosterlinck: «Het is nu al een groot verschil of je bijvoorbeeld economie studeert in Gent of in Leuven. Die verschillen zijn juist een rijkdom. Het zal meer en meer de naam van het instituut zijn die garant staat voor de waarde van het diploma. Als je aan concurrentie doet om beter te worden - en Antwerpen doet daaraan mee, want je moet ook niet doen alsof ze daar wat staan te wenen; wat is daar dan verkeerd aan? Het moet een opgaande spiraal zijn. Het financieringssysteem dat we nu hebben stimuleert dat: je wordt gemeten op basis van je kwaliteiten. Ik ben daar een grote voorstander van. Competitie ten voordele van iedereen en de overheid die erop toeziet dat de concurrentie eerlijk blijft. Ik neem ook de concurrentie van de anderen au sérieux. Ik leer daar snel van. En natuurlijk kan je ook samenwerken. We hebben de concurrentie met Hasselt gestopt omdat we beiden beter worden van verregaande samenwerking.»
Veto: Naast de grootschalige evolutie van de academisering vindt er aan de K.U.Leuven intern ook een kleinere evolutie plaats. Er werd in dat kader ook een herstructureringscommissie opgericht waar u deel van uitmaakt. Moet er veel veranderen?
Oosterlinck: «Het is logisch dat de universiteit zich nu en dan eens afvraagt of haar structuren wel aangepast zijn aan haar doelstellingen. Zeker wanneer je een turmoil krijgt zoals vorig jaar. De Bijzondere UniversiteitsRaad heeft de rector toen gevraagd om een commissie op te richten waarvan de leden bepaald zijn door de Inrichtende Overheid en die over die zaken kan nadenken en rapporteren. Ik heb vorig jaar de discussie van op afstand gevolgd. Gaan we de rector aanstellen of niet? Gaan we hem preselecteren voor de verkiezing of niet? Ik vind dat interessante vragen. Ik heb als rector ooit een speech gegeven - toen waren velen kwaad natuurlijk, maar goed, dat was mijn bedoeling - waarin ik stelde dat heel wat universiteiten die beter zijn dan de onze, met een aangesteld bestuur werken.»
Dit artikel verscheen op maandag 30 november 2009 in nummer 10 van jaargang 36. - Disclaimer
