Nachten alleen


Een stille fluister, haast onhoorbaar, weerklinkt in de natgeregende straten. Een stem die lang niet gehoord is, een kreet die zelden geliefd een repliek krijgt. Het is de lang vervlogen en krampachtig genegeerde antithese van de lokroep. Je geeft geen antwoord, nog niet. Morgen reageer je - wellicht te laat. Als de zon verzwakt de dag na vandaag tracht te omarmen, vind ik je in de fakbar. Moegestreden tevreden omhels je de veelgeprezen roes van de middenstand en het lief van je beste vriendin. Ik tref je dansend op tafels aan, met een whiskyfles in je hand. Je blik verraadt lust en angst. Je gaat met me mee, op het moment dat de nacht valt. Als de kleding van je afvalt en de waarheid ontstaat, maakt jouw glimlach tijd onbekend. Ik vind jou in iedereen, mijn stem draagt ongewild jouw naam. Ik stel het noodzakelijke uit, nog een dag.

Mijn herinnering krijgt geen antwoord, behalve het getik van de regen. Krinklend, noch wrinklend zoekt het een weg door de straten van de stad en tracht alvast het verleden weg te spoelen. In gedachten verken ik het gevoel. Het idee samen te zijn, een verstrengelde eenheid te vormen. Elke dag neem je een ander uiterlijk aan, ben je te vinden op een andere plek. Ik zie je op café, turend in een glas bruine Leffe. Veel valt daarin niet te vinden, toch koesteren wij beiden graag die illusie. Je loopt naar het wc - hoofden draaien, blikken volgen, een deur gaat open. Jouw licht weerkaatst nog eenmaal in mijn ogen. Mijn stem met koude lucht vermengd kent geen weerslag; ik blijf staan voor het raam. Ik verlang naar je, naar de geur van het verleden. "De toekomst eindigt op de plaats waar vandaag begint," klinkt de fluister ditmaal duidelijk.

De volgende morgen voel ik dat je weg bent, de hele stad merkt het. Frivole gedachten blijven ongebruikt steken, gevangen in de daden van gisteren. Jij bent op dit moment onontkoombaar, een siddering die de stad treft, glimlachen dooft en ogen neerslaat. Straten onder hoogspanning, relaties op de proef. Eenzaamheid wenkt met donkere nachten die mij in het gezicht staren. De kerstdagen brengen licht, zogezegd, maar nu niet. Ik ben je kwijt. Ik vind je niet meer in de fakbar, naast mij in bed of op café. Ik drink alleen een Leffe, klaag mijn wee en prevel je naam, zachtjes en liefdevol.

Langzaam pak ik het eerste boek, sla onwillig de pagina om. Meteen dwaal ik weg, loop op mijn schreden terug en proef je glimlach. Onverwacht zie ik je weer voor me, in nog een andere gedaante. Ik wil je, maar moet wachten tot morgen.

Remy Amkreutz

Dit artikel verscheen op maandag 14 december in nummer 12 van jaargang 36. - Disclaimer