Onder professoren | Hans Bruyninckx

Resistance of verlicht despotisme?

De aarde is naar de haaien. De kloten. De Filistijnen. Om zeep. Verschwunden. Tenminste, dat beweren de doemdenkers in het klimaatdebat. Professor international environmental politics Hans Bruyninckx is geen van hen. Hij zweert bij de individuele verantwoordelijkheid. "Het is makkelijk om met de vinger te wijzen naar wereldleiders en zelf geen poot uit te steken."

Mathias Vanden Borre & Eric Laureys

@@PROF.jpg

foto: Andrew Snowball


Veto: Bent u zo'n groene prof die steeds de trein neemt?

Hans Bruyninckx: «Ik neem inderdaad de trein. Daarbij hebben we ons huis zo veel mogelijk geëcologiseerd. Dat betekent: zonnecellen, een zonneboiler en uiteraard goede isolatie. We gebruiken regenwater voor onze wasmachine en het toilet, enzovoort.»


Veto: Dit maakt u ongetwijfeld gelukkiger?

Bruyninckx: «(lacht) Ik zou het er zelf bijzonder moeilijk mee hebben om mijn vakgebied uit te dragen en er zelf een antithese van te zijn. Het eerste ecosysteem waar ik zorg voor wil dragen is mijn eigen systeem, namelijk mijn eigen lichaam. Ik zou het moeilijk vinden om milieupolitiek te doceren wanneer de studenten van op de tiende rij kunnen zien dat ik dat niet eens duurzaam kan onderhouden. Maar ik ben zeker geen heilige. Ik weet dat ik een grotere ecologische voetafdruk heb dan mijn 'eerlijk aardeaandeel'. Bovendien moet ik voor mijn beroep regelmatig vliegen en daar worstel ik wel wat mee.»

Governance


Veto: In de sociale wetenschappen wordt vaak gesproken over 'governance'. Bestaat daar een Nederlands woord voor?

Bruyninckx: «Neen. Ik zou governance omschrijven als 'de sturingsmogelijkheden in een samenleving'. We zijn er traditioneel van uitgegaan dat die zich vooral op staatsniveau bevonden:dat is government. Maar we zijn tot de conclusie moeten komen dat dit niet voldoende is om de steeds complexere en geglobaliseerde werkelijkheid te vatten. In essentie gaat governance over drie dingen. Ten eerste gaat het over verschillende niveaus die moeten samenwerken. Ten tweede over de verschillende actoren die moeten samenwerken zoals marktactoren en de civiele maatschappij. Ten derde - en dat vergeet men wel eens - zijn er ook de verschillende sturingsinstrumenten gaande van publiek-private samenwerking tot wat men private governance noemt. Een voorbeeld zijn de certifiëringsmechanismen in de bosbouw. De overheid in heel veel landen doet vaak nauwelijks iets rond duurzame bosbouw. Via certifiëring, bijvoorbeeld via het FSC label (Forest Stewartship Council), een samenwerking tussen ngo's, wetenschappers en bosbouwbedrijven, zijn er nu toch redelijk algemeen aanvaarde normen. Het is opvallend dat ook overheden zich nu gedwongen voelen om die te aanvaarden.»


Veto: Waren de onderhandelingen in Kopenhagen ook een vorm van governance?

Bruyninckx: «Ja, maar ik geef toe dat de complexiteit enorm was en daardoor zeer moeilijk beheersbaar. Ik stel me de vraag of we de limiet van dit soort governancemodel, namelijk het institutioneel en incrementeel staatgericht paradigma, niet bereikt hebben. Dit is het geloof dat men door alsmaar kleine stapjes te nemen via staten en die te institutionaliseren in klassieke sturingsmaatregelen. In principe werd er een legaal bindend intergouvernementeel akkoord nagestreefd. Maar de hoop op een afdwingbaar akkoord is nu vervlogen, en misschien zelfs voor lange tijd. Noch de VS, noch China wensen een bindend akkoord en de EU heeft onvoldoende gewicht om een akkoord te forceren. Hetzelfde gebrek aan daadkracht zien we overigens ook bij onderhandelingen over ontbossing en visserijakkoorden. We hebben reeds een lange weg afgelegd qua governance vergeleken met vijftig jaar geleden, maar de resultaten blijven al bij al erg pover.»

Illusie


Veto: In Kopenhagen was het dus de methode die fout was?

Bruyninckx: «Ik denk dat de methode inderdaad niet de essentie raakt van wat er moet gebeuren. Intergouvernementele akkoorden zijn in essentie systeembevestigend omdat zij vertrekken vanuit de soevereine staat en ook het geloof dat het marktmechanisme de zaken wel zal oplossen. Op dit niveau denkt men meestal dat het proces snel genoeg gaat. Wel, het gaat niét snel genoeg. We zijn in 1990 begonnen met onderhandelingen rond klimaatbeleid en nu zitten we met 35% meer uitstoot dan in 1990. Kyoto lijkt een institutioneel succes door de bindende kracht, maar het succes wordt gemeten aan de hand van de uitstoot, die alleen maar is toegenomen. De illusie die de politiek tracht te verkopen is dat we op de goede weg zitten. Kyoto was enkel een vertraging van de toename. We moeten dit dringend omzetten naar een afname. Het huidige proces werkt niét.»


Veto: Wat is dan het alternatief?

Bruyninckx: «Ik heb geen glazen bol, natuurlijk. Er bestaan verschillende opvattingen. Doemdenkers stellen dat we op weg zijn naar een ineenstorting van het systeem. Geen vrolijk beeld. Een variant daarvan stelt dat er eerst een aantal grote klimaatrampen moeten gebeuren vooraleer tot actie wordt overgegaan. Hiertegenover staat de mening dat we meer aandacht moeten schenken aan niet-staatactoren. Een term hier is resistance from below waarbij de nadruk wordt gelegd op het individu en de mogelijkheid om zelf alternatieven te zoeken zoals loskoppeling van het elektriciteitsnet, andere transportvormen en meer zelfvoorziening, bijvoorbeeld ook op gebied van voedsel. Anderzijds moeten we kijken naar alternatieven die we nu nog niet kunnen vatten.»

Singapore


Veto: In welke mate is er dan een leidende hand nodig die de keuzes duidelijker stelt?

Bruyninckx: «Dit is één van de essentiële debatten in ons vakgebied. Gaan we voor een sterkere basisdemocratie of hebben we een sterkere hand nodig? Een 'groen-verlicht despotisme' zou je kunnen stellen. Ik ben hier zeker geen voorstander van. Singapore is misschien het properste land ter wereld, maar dit is niet het samenlevingsmodel dat ik wens.»


Veto: U bent ook bezig met de politieke factoren van de toekenning van grote sportevenementen. Op het eerste zicht heeft dit weinig met milieu te maken. Hoe bent u hiertoe gekomen?

Bruyninckx: «Dat is meer een uit de hand gelopen hobby (lacht). Mijn twee studiekeuzes waren vreemd genoeg sportkot of internationale politiek. Ik was echt een sportfreak en speelde volleybal op redelijk hoog niveau en was daarnaast nog heel actief bezig. Twee jaar geleden kwam ik op het idee om dat tussen de thema's voor licenciaatthesissen te zetten: 'sport en internationale betrekkingen' zoals sport en mensenrechten, boycots. Studenten hadden en hebben daar een geweldige interesse voor.»


Veto: Hebt u nog andere passies die u niet in uw onderzoeksdomein hebt verwerkt?

Bruyninckx: «Ja, mijn passie om buiten te zijn en te kunnen bewegen. Ik heb vier jaar in Colorado gewoond, in de Rocky Mountains. Ik voel mij hier in België wel sociaal heel goed, maar heb me nooit echt zo thuis gevoeld als daar. Ik hou énorm van buiten zijn.»


Veto: Vloekt dat niet een beetje met lesgeven?

Bruyninckx: «Het stilzitten op een stoel is voor mij niet altijd even gemakkelijk, neen. Ik heb beweging nodig. In de aula valt dit goed mee omdat ik nooit stilsta. Het zweet staat in mijn schoenen als de les gedaan is.»

Dit artikel verscheen op maandag 1 maart 2010 in nummer 16 van jaargang 36. - Disclaimer