maandag 1 maart 2010 - jaargang 36 - nummer 16
Voorstelling Redde we zich redden kan
Slagroom in Buchenwald
Theatergezelschap STAN is met zijn voorstelling 'Redde we zich redden kan' op miniwereldtoernee door Antwerpen en Leuven.
Eline Van Eldere
Het stuk start - tegen het cliché van te laat beginnende toneelvoorstellingen - nog voor de toeschouwer de zaal betreedt. Ogenschijnlijk zeer kalm zitten de drie spelers - Damiaan De Schrijver, Sara De Roo en Jolente De Keersmaeker - te wachten tot iedereen zijn plaats heeft ingenomen.
Eens iedereen gezeten, barst de actie echter in alle hevigheid los. Hevigheid die nog het best als een soort jolige doch ongemakkelijke conversatie tussen drie prettig gestoorden omschreven kan worden. Schijn blijkt na enige tijd echter bedrieglijk; het gesprek dat zich ontspint tussen de drie personages; een rechter en zijn vrouw en hun van massamoord vrijgepleite vriend, openbaart zich al snel als een nabeschouwing van een oorlog die door hen - onterecht - verloren is.
De toeschouwer krijgt in het stuk namelijk een reeks Dramoletten van de hand van Thomas Bernhard, evenals een fragment uit diens gelijknamige novelle Gehen. Het onderwerp bestaat uit het ophalen van herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, vanuit het perspectief van de verliezers.
Dit toch wel zware thema wordt echter in een 'vrolijk' jasje gestoken; anekdotes worden verteld op een animerende toon, al badinerend bespreken de personages nietszeggende trivialiteiten. Af en toe wordt het de kijker echter zeer duidelijk dat de stemming niet zonder moeite lichtvoetig kan blijven, getuige daarvan de verwijzingen naar concentratiekampen "O ja, die taart heb ik in Buchenwald gebakken," "Die Poolse vrouwen, o ja, vooral die twéé Poolse vrouwen," of, duidelijker zou pijnlijk geweest zijn, "In de kleinere kampen was het niet zo erg hoor, o nee, absoluut niet," die door een sterke Jolente De Keersmaeker vertrouwelijk de zaal in gefluisterd.
Beha
De ogenschijnlijk lichte teneur van de voorstelling werd ook geïllustreerd in de talrijke verkleedbeurten tussen de stukjes door. Of het ostentatief gekunstelde naakt echt functioneel was laat ik in het midden, maar de volledig doorzichtige beha die op een bepaald moment zijn voorganger kwam vervangen, was er wat ons betreft eerder bij gesleurd dan "artistiek verantwoord."
Sommige van de kostuums konden op zijn minst origineel genoemd worden; van een een wit zijden Abbapakje ging het over een paars 'herenkleed' via een trapezistenmaillot tot voornoemde beha. Origineel dus, maar daarom ook weer niet echt noodzakelijk voor het stuk, waardoor ons soms het gevoel bekroop dat het vestimentaire aspect misschien wel eens moest compenseren dat het opgevoerde zelf niet veel om het lijf had.
Damiaan De Schrijver was overtuigend in zijn vertolking van de nogal perverse Nazirechter, de voetbalkijkende echtgenoot en de jeune premier die zijn geliefde op een kerkhof ten huwelijk vraagt. Soms platvloers, soms racistisch, soms apathisch, maar telkens grappig.
Sara De Roo gaf weleens de indruk wat meer naar de achtergrond te verdwijnen, een beetje als klankbord voor de andere spelers te dienen. Tijdens haar monoloog als gefrustreerde echtgenote werd onze aandacht bijwijlen ook weleens meer getrokken door haar torenhoge hakken dan door de performance zelf.
Jolente De Keersmaeker was dan weer zeer sterk als racistische vrouw, genre bon chic bon genre meets vergane vooroorlogse glorie. Het moet zowat het enige moment geweest zijn dat wij ons ergerden aan wat een personage zei, zonder ons al te bewust te zijn van het feit dat het maar 'om te lachen' was. Goed gedaan.
In het algemeen is het zeker een onderhoudend stuk, al hadden wij het niet telkens even gemakkelijk om te vergeten dat we eigenlijk naar een toneelstuk zaten te kijken in plaats van een variété, zij het dan met een duister kantje.
Dit artikel verscheen op maandag 1 maart 2010 in nummer 16 van jaargang 36. - Disclaimer