maandag 1 maart 2010 - jaargang 36 - nummer 16
Leuvense studentenclubs
"Een faculteitskring kenmerkt zich door oppervlakkigheid"
Een doordeweekse avond op de Grote Markt: Parmantige presessen paraderen met een groot lint, terwijl ordinaire commilitones in een onooglijk feestlintje zijn verpakt. Samen togen ze naar hun stamcafé om er onder het mom van de vriendschap en het clubleven te zuipen alsof hun leven ervan afhangt. Dat is hoever onze kennis van de studentenclubs reikt. Hoog tijd voor een goed glas bier of vijf met de praeses van Moeder Geelse, de club waar de illustere Guy Mortier ooit nog de toog onderkotste.
Eric Laureys
De studentenclubs zijn niet aan een opmars bezig. Ze leven nog en dat is op zich al een prestatie. Rond de millenniumwisseling zijn vele clubs immers gewoon opgehouden te bestaan. Momenteel telt de universiteitsstad aan de Dijle nog zo'n twintig clubs van om en bij de vijftien leden. Dan spreken we niet over de nieuwe clubs, maar over de traditionele oftewel de territoriaal georganiseerde. Als je van Geel en omstreken komt, dan sluit je je aan bij moeder Geelse, kom je uit Brussel dan is Bezem Brussel the place to be. Daan Bergers is preses van Moeder Geelse en weidt uit over de bijna teloorgegane studentenbastions.
Ontgroening
De fameuze ontgroening is de weg naar het lidmaatschap. Je bent één jaar schacht, op het einde van dat jaar volgt een examen en de ontgroening. De doop heeft in het begin van dat jaar plaats. "Die doop symboliseert de wil van de schacht om zich in te zetten voor de club," aldus Daan. Dat examen is niet van de poes. De schacht wordt ondervraagd over de geschiedenis van Leuven, van de clubs, van zijn regio en van de universiteit. Net als bij een echt examen is buizen een reële optie. Dan wordt je ontgroening uitgesteld tot het volgende semester. "Heel vaak komt dat echter niet voor. In je eerste jaar als schacht krijg je immers een peter toegewezen. Die volgt je op en merkt normaal wel snel genoeg op of de schacht de mist zal ingaan bij het examen," stelt Daan gerust. "Het hele gebeuren is trouwens gericht op het laten ontluiken van de volledige mannelijkheid van de schachten. Een club is namelijk zoveel meer dan enkel bier drinken. De bedoelingis dat mannen een maatschappijvisie ontwikkelen. En dat kan evengoed aan de toog."
Wordt LOKO als een concurrent beschouwd? "Het is waar dat de faculteitskringen, verenigd in LOKO, dezer dagen de meeste studenten kunnen bekoren om lid te worden. Maar een kring is niet alles. Een faculteitskring laat zich kenmerken door de oppervlakkigheid. In een club komt een lid elke clubavond. Bij ons heb je ook een hele lange traditie die doorgegeven wordt. We hoeven onszelf niet elk jaar heruit te vinden," steekt Daan van wal. "Kringen hebben de band met het traditionele al lang doorgeknipt. Dan krijg je rare gebruiken zoals het dragen van labojassen tijdens de doop. Dit is helemaal geen doopattribuut. Het is enkel bestemd voor de studenten farmacie. Die hielden tussen twee lessen door hun witte jassen aan als ze over straat liepen. Bij het sportkot hanteren ze ook zo'n ontheemd gebruik. Bij het ledigen van een adfundum leggen ze hun hand op het achterhoofd. Dat komt van bij de clubs. In de clubs moet je bij het ledigen van een glas bier vermijden dat je clubpet van je hoofd valt. Vandaar dat hand." Het is duidelijk dat de kringen niet als volwaardige vervangers van de clubs worden gezien.
Als een club zich in iets van een andere studentenorganisatie onderscheidt, is het wel de uitsluiting van vrouwen. "Correctie," verbetert Daan. "Er bestaan ook vrouwenclubs, waar dan weer geen mannen welkom zijn. En bijvoorbeeld bij Bezem Brussel heb je een vrouwentak en een mannentak. Een mix van beide geslachten werkt volgens mij niet op termijn. Stel dat twee mannen van de club dezelfde vrouw begeren?"
Horlogehangers
Over de zogenaamde couleurs kan Daan ook nog een boompje opzetten. "Het lint wordt om de rechterschouder gedragen. Dat van de praeses is breder en met het clubschild versierd. Verder heb je het clubpetje. Dat staat voor de gelijkheid onder de leden, maar maakt het onderscheid met de rest van de bevolking. Traditioneel wordt de student gezien als een aparte klasse in de samenleving." Tot de couleurs blijken ook nog te behoren: een speldje met de clubkleuren, een vlag, het clubschild en eventueel horlogehangers. Het functionele van die voorwerpen lijkt ons niet groot, maar waar haal je in godsnaam al die dingen? "In een Marokkanenstraatje in Schaarbeek is er een winkel die al voor eeuwig en één dag de meeste linten van de clubs naait." Het internet blijkt, na een korte zoektocht, eveneens een nooit opdrogende bron van studentikoze parafernalia.
Dit artikel verscheen op maandag 1 maart 2010 in nummer 16 van jaargang 36. - Disclaimer