Onder Professoren | Stefaan Vaes

"De Nobelprijs is onbereikbaar"

Professor Vaes ontvangt ons op zijn kantoor. Aan de ene kant hangt er een bord volgeschreven met wiskundige tekens die - na verduidelijking - te klasseren zijn onder von Neumannalgebra's. Aan de ander muur zien we kindertekeningen. Deze zomer is hij gastspreker op het 'International congress of mathematicians', zowat het hoogste wat je als wiskundige kan bereiken. En op de 24-urenloop loopt hij elk jaar een rondje. Deze man is duidelijk in vele werelden thuis. Om het in wiskundige termen samen te vatten: een merkwaardig product.

Ide Smets

@@PROF.jpg

foto: Brechtje Keulen


Veto: Andrew Wiles werkte ooit zeven jaar aan het bewijs van de laatste stelling van Fernat. Ligt u ook wakker van stellingen die u niet kan oplossen?

Vaes: «Natuurlijk. Stellingen die je niet kan oplossen, dat heeft elke wiskundige. Dat drijft hen voort. Dat ze daar dan elke dag aan denken is een ander paar mouwen. Er zijn problemen die vijftig jaar zonder aandacht ergens blijven liggen omdat niemand meer methodes ziet om ze aan te vallen, bijvoorbeeld over priemgetallen. Een van de bekendste is de vraag of er oneindig veel priemtweelingen zijn. Een priemtweeling is een priemgetal dat als je er het getal twee bij optelt weer een priemgetal geeft, bijvoorbeeld 5 en 7 of 11 en 13. Er zijn oneindig veel priemgetallen, maar zijn er ook oneindig veel priemtweelingen? In gelijkaardige zaken zijn recent veel doorbraken geweest, zodat er misschien nu weer mensen proberen dit vraagstuk op te lossen. Dat lijkt wel allemaal spielerei, maar net die dingen over priemgetallen spelen een belangrijke rol in cryptografie en beveiliging van onder andere internetverkeer. »


Veto: Een lezing van u draagt de titel: 'Hoe gemakkelijk is het om de Nobelprijs voor wiskunde te winnen?'

Vaes: «Om te beginnen was dat een grapje omdat er geen Nobelprijs voor wiskunde bestaat. Daar zijn heel veel wilde verhalen over, maar geen enkel werd met bewijs gestaafd. Een van de gangbare theorieën is dat de vrouw van Alfred Nobel een relatie met een wiskundige zou hebben gehad en hij dat niet wist te appreciëren. Er is nu wel sinds een aantal jaren de Abelprijs die ook in Noorwegen wordt uitgereikt en hetzelfde bedrag aan prijzengeld oplevert. Al veel langer bestaan er de Fieldsmedailles. Een soort van equivalent, maar bedoeld voor wiskundigen onder de 40 jaar. Makkelijk is het absoluut niet om zo een prijs binnen te halen. Er zijn daarentegen wel een heel aantal gemakkelijk lijkende problemen, zoals dat van die priemtweelingen. Als je die oplost, kom je zeker in aanmerking voor zo een prijs. »


Veto: Is het belangrijk om als wiskundige een dergelijke prijs te winnen?

Vaes: «Om te beginnen is het maar weinigen gegeven. In Vlaanderen zijn er al Fieldsmedailles uitgereikt, maar dat was telkens aan wetenschappers die ondertussen België al lang verlaten hadden. De laatste werd uitgereikt in 1994. Als je zo'n prijs wint, ben je een autoriteit binnen je domein. Maar aangezien de Abelprijs al even onbereikbaar is als de Nobelprijs, zal het antwoord -als je aan eender wie op de campus vraagt of ze van plan zijn hem te winnen- 'nee' zijn. »


Veto: U hebt een doctoraat geschreven over de definiëring van lokaal compacte kwantumgroepen. Komen wij deze materie in dagelijks leven tegen?

Vaes: «Kwantumgroepen is een stuk van de wiskunde dat achter kwantummechanica en mathematische fysica zit. Dat is niet eenvoudig om te visualiseren. Kwantumgroepen hebben nog geen concrete toepassingen. Nu nog niet. Het is hetzelfde als met die priemgetallen. De geleerde die de oneindigheid daarvan bewees, zou je honderd jaar geleden ook het antwoord schuldig moeten zijn gebleven. »

Toy Story


Veto: Uit onderzoek is gebleken dat 10 procent van de Britse studenten denkt dat Buzz Lightyear de eerste man op de maan is. Hoe zit het met het imago van de wetenschappen bij de jeugd?

Vaes: «Dat was waarschijnlijk een meerkeuzevraag, want anders kom je daar toch niet spontaan op. (lacht) We hebben alleszins een probleem om voldoende studenten te lokken voor alle wetenschappen. Vandaag stond nog in de krant dat op tien jaar tijd het aantal ingenieursstudenten in Vlaanderen is gehalveerd. Dat is een drastische daling. Ik denk dat er een imagoprobleem is, maar niet alleen bij wiskunde. Het betreft alles wat de harde wetenschappen in het algemeen aangaat. Het wordt een beetje saai bevonden. Wiskunde is voor velen de ver-van-hun- bed-show ».

«Wat me wel stoort is dat wiskunde soms misbruikt wordt om te worden toegelaten tot bepaalde richtingen, bijvoorbeeld bij het ingangsexamen geneeskunde. Het komt symbool te staan voor intelligentie, terwijl dat helemaal niet zo is. De grote keerzijde van de medaille is dat jongeren wiskunde niet meer leuk vinden. Ze studeren wiskunde omdat het iets is dat moet. »


Veto: U bent de coördinator van het project 'Junior college'. Draagt u daarmee bij aan de popularisering van de wetenschappen?

Vaes: «Het is zeker de bedoeling om op een of andere manier bij de jeugd een ander beeld te creëeren van wiskunde, maar even goed van wetenschappen in het algemeen. Junior College is een programma voor de derde graad van het secundair onderwijs en gaat over de wiskunde achter Google. Dat is ook weer een voorbeeld van wiskunde die meer dan honderd jaar oud is en die nu geleid heeft tot het zoekalgoritme achter Google. Iedereen heeft dat al gebruikt en iedereen is verbaasd dat het zo goed werkt. Het project heeft ondertussen zijn pilootfase doorlopen met een honderdtal leerlingen, maar dat neemt niet weg dat ze de lessen die de hardere wiskunde bespreken nog altijd moeilijk vinden. Alleen zijn ze nu misschien iets gemotiveerder om het te doorgronden omdat ze de toepassing kennen. »

Behangpapier


Veto: Vorige week lazen we in het nieuws dat het wiskundeniveau van de eerste graad middelbaar onderwijs niet optimaal zou zijn. Merkt u als docent ook op dat de kennis van wiskunde afneemt?

Vaes: «Als we al iets merken, zou dat natuurlijk vooral slaan op de kennis in de derde graad. Wat de instroom betreft bij ons is er één ding duidelijk: de studenten die nu toekomen hebben minder bagage abstracte wiskunde dan vroeger. Een van de vragen die bijvoorbeeld slecht uitgevoerd werden in de eerste graad was het manipuleren van veeltermen. Daar hadden de studenten van de eerste graad het moeilijk mee. Mocht je hen anderzijds een concreet vraagstuk voorleggen zoals 'We hebben een kamer van zoveel vierkante meter en we willen die behangen. Hoeveel rollen behangpapier hebben we nodig?' dan zou dat veel beter gaan ».

«Dat wil zeggen dat we op die evolutie moeten inspelen, en onze programma's moeten aanpassen. We mogen er niet meer van uitgaan dat ze bepaalde dingen geleerd hebben in het middelbaar. Ik ben niet zo pessimistisch van aard. Ik heb niet de indruk dat het niveau van het eindproduct dat bij ons afstudeert gedaald is. »


Veto: Studenten kwamen deze week op straat om meer geld voor hoger onderwijs te eisen. Was dat volgens u terecht?

Vaes: «Studenten hadden natuurlijk zeker het recht om dat te doen. Ik ben zelf niet gaan betogen, omdat ik de timing misschien wat ongelukkig vond. In mijn ogen is een betoging iets om een stuk van de maatschappij achter uw zaak te krijgen. Ik denk dat in deze tijden van besparingen het een verloren zaak is om mensen achter een budgetverhoging te krijgen. Je kan aan de andere kant ook redeneren dat als we nu een budget+verhoging vragen, we alvast geen verlaging krijgen. Op die manier heb je misschien al gewonnen tijdens deze begroting. Als we alleen maar kijken naar het luik onderwijs denk ik dat we de vergelijking met de buurlanden kunnen doorstaan. Ik denk wel dat we in onderzoek ondermaats gefinancierd zijn. »

Dit artikel verscheen op maandag 29 maart 2010 in nummer 20 van jaargang 36. - Disclaimer