Integraal (slot) | André Oosterlinck “Studenten zijn honkvast”
Integratie. Het woord galmt al jaren als een mantra in universiteiten en hogescholen, want vanaf 2013 integreren de academische opleidingen van de hogescholen in de universiteit. Veto gaat praten met André Oosterlinck, voorzitter van de Associatie KU Leuven en motor van de integratie.
Pieter Haeck en Jelle Mampaey
Veto:KU Leuven wordt na de integratie een machtige speler. Hoe staan de andere universiteiten tegenover de integratie en de gevolgen daarvan?
André Oosterlinck:«Als machtsverhoudingen verschuiven heeft niemand dat graag. Maar we moeten ons de vraag stellen wat best is voor de toekomst. De rector van Cambridge zei me vorige week nog dat universiteiten die niet mee zijn in de vaart der volkeren, met andere woorden geen research intensive universiteit zijn, een serieus probleem zullen krijgen.»
«Het initiatief voor de integratie is van ons gekomen. in het begin hebben andere universiteiten dat idee afgewezen, waardoor ze voor een deel de boot gemist hebben. Ik herinner me nog dat de rector van de UGent die integratie maar niets vond. Dat gevoel leefde toen bij veel professoren aan de universiteit. Die universiteitsprofessoren vonden dat hun opleidingen beter waren dan de hogeschoolopleidingen die moesten integreren. Dat gevoel leeft soms ook bij studenten. Dat heeft echter niets te maken met niveau. Ik spreek niet meer over niveau, maar eerder over abstractiegraad.»
«Je hebt wiskunde en fysica, die een hoge abstractiegraad hebben. Daarnaast heb je de aardwetenschappen, met een minder hoge abstractiegraad. Is het niveau van die aardwetenschappen lager? Nee. De profielen en de abstractiegraad zijn verschillend, dat is belangrijk. Kijk naar de sportopleidingen. Iedereen vindt het normaal dat die onderdeel zijn van de universiteit. Zijn die abstracter dan de opleidingen industrieel ingenieur? Waarschijnlijk niet.»
«Ook de discussie over de kunsten draait daarrond. Wij zijn altijd voorstander geweest van een integratie van de kunstenopleidingen in de universiteit. Nu worden ze ondergebracht in een School of Arts. We gaan die School of Arts dan maar zo dicht mogelijk bij de universiteit brengen.»
«Kunsten zijn redelijk toegepast. Die denken vaak erg maatschappelijk. Velen willen zich met maatschappelijke problemen bezighouden. Het is een groep die we niet gewoon zijn, maar die een verrijking is. Ik heb mij altijd gespiegeld aan de topuniversiteiten in de Verenigde Staten. Yale en Harvard hebben verschillende faculteiten in de kunsten.»
Veto:Vaak wordt gezegd dat de werking van de Associatie UGent moeilijker verloopt. Hoe komt dat?
Oosterlinck:«Ze hebben een andere bestuursvorm. Zij hebben een beetje een Europees bestuursconcept. Iedereen heeft vetorecht in elke beslissing. Als bestuursleden weten dat er uiteindelijk een beslissing zal genomen worden, gaan ze van het begin mee discussiëren. Als je een vetorecht hebt, doe je niets. Je wacht en op het einde zeg je dat je niet mee doet. Ik vind een vetosysteem een slecht bestuursmodel. In Gent loopt het momenteel moeilijk. Gelukkig hebben ze nog een oud-minister (Luc Van den Bossche, red.) die de zaken met de nodige vinnigheid aanpakt. Wij hebben die moeilijkheid nooit gehad. De wil om samen te werken is altijd aanwezig geweest en wordt daarenboven sterk gestimuleerd.»
Onderwijs op fietsafstand
Veto:Zullen docenten en studenten zich in de toekomst meer moeten verplaatsen?
Oosterlinck:«We zullen de studenten in de eerste bacherlorjaren in elk geval niet verplaatsen. Die eerste jaren, die bestaan uit basiswetenschappen, zullen we overal aanbieden. Wanneer je gaat specialiseren, is het verhaal anders. Dan gaan we vooral docenten moeten verplaatsen. Je kan wel vragen aan studenten om zich te verplaatsen voor een week, bijvoorbeeld voor labo's, maar niet veel meer. Studenten zijn nu eenmaal honkvast.»
«Je kan niet alle specialisaties op alle plaatsen hebben, dan zouden het geen specialisaties zijn. We kiezen per hogeschool minimaal één specialisatie. Als je die specialisatie wil volgen, moet je daar studeren. Een groot deel daarvan kan via afstandsonderwijs, maar bijvoorbeeld labo's niet.»
«Wie observationele sterrenkunde doet in Chili, komt daar zelden. Die dient zijn projecten in, die projecten worden daar uitgevoerd, en hij of zij krijgt de data. Dat is het principe van onderzoek dat op afstand gebeurt.»
«Voor specialisatie anderzijds in het laatste jaar zal ofwel de docent zich moeten verplaatsen, ofwel de student. Elektronisch of lijfelijk. Ik zie eerder een beperkte fysieke verplaatsing van de student en dat alleen omwille van de onderzoeksinfrastructuur. Maar als je er een of twee keer geweest bent, volstaat het.»
Veto:Een gevolg van de integratie is dat hogescholen zich regionaal gaan groeperen. Waarom is dat?
Oosterlinck:«Alle eerste bachelorjaren moeten fijnmazig aangeboden worden, zoals ik eerder al zei. Daarom willen we de campi die we overal hebben, bijvoorbeeld in Geel, Turnhout, Mechelen en Antwerpen, allemaal behouden. Dat kan enkel als alle hogescholen samenwerken in plaats van te concurreren. We zijn dus begonnen met de hogescholen van de associatie per provincie te groeperen. Die nieuwe hogescholen zijn dan sterk genoeg om te blijven aanbieden wat we nu aanbieden op de verschillende plaatsen. Ze zullen allemaal ongeveer 15000 studenten hebben.»
«Waarom dat fijnmazig aanbod? De universitaire studenten verplaatsen zich al niet graag, maar studenten van professionele opleidingen zijn nog honkvaster. Bij allochtonen ligt dat nog moeilijker. Daarom moeten we de opleidingen dicht bij hun woonplaats aanbieden. Ik heb mij vroeger zelf afgevraagd of dat wel zo verstandig was. Je moet studenten immers goed voorbereiden om zich te verplaatsen in Europa.»
«We moeten onze studenten voorbereiden op een leven waarin ze zich noodgedwongen zullen moeten verplaatsen en we bieden onderwijs aan op fietsafstand. Je kan die mentaliteit nu eenmaal niet veranderen. Vroeger kwamen studenten van West-Vlaanderen naar Leuven en bleven ze ook tijdens het weekend hier. Toen was de echte uitgaansdag vrijdagavond. Je moet de jongeren niet trachten aan te passen, maar je moet je trachten aan passen aan de jongeren.»
Maatschappelijk debat
Veto:Mengt de universiteit zich voldoende in het maatschappelijk debat?
Oosterlinck:«Te weinig. Sommige faculteiten lenen zich er meer toe dan andere, maar iedere faculteit heeft voldoende kennis om een steentje bij te dragen. Velen zijn misnoegd in de politieke klasse, waardoor ze zich er ver vanaf houden. Dat is een algemeen verschijnsel. Bij nieuwe verkiezingen stemt Europa niet links of rechts maar stemt Europa tegen de gevestigde klasse.»
«We moeten wel opletten dat professoren hun autoriteit niet misbruiken. We spreken van maatschappelijke dienstverlening als bijvoorbeeld een specialist politieke wetenschappen zijn kennis en kunde aanreikt om de mensen te helpen dingen beter te begrijpen, betere beslissingen te nemen. Anderzijds zijn professoren ook maar mensen wanneer ze zich in een debat mengen op een domein dat niet hun vakgebied is. Daar moeten ze steeds oppassen dat ze hun autoriteit als professor niet misbruiken. Als je je mengt in andere domeinen, als leek, mag je je ook in de discussie mengen, maar je moet wel goed duidelijk maken aan de mensen dat je als leek bezig bent.»
Veto:Betekent de integratie geen gevaar voor de profilering van bepaalde opleidingen? Gaan de opleidingen burgerlijk en industrieel ingenieur niet overlappen?
Oosterlinck:«Zodra opleidingen binnen één universiteit zitten, wordt de profilering net sterker. Als ze onder een verschillend gezag vallen, concureren die met elkaar en willen ze studenten van elkaar afnemen. Op die manier groeien de opleidingen naar elkaar toe. Nu ze onder eenzelfde gezag vallen, heeft de univeriteit er geen belang bij om overlapping te veroorzaken.»
Veto:Is die profilering ook duidelijk naar de middelbare scholieren?
Oosterlinck:«Dat is een probleem. Het grootste probleem ligt bij de leerkrachten. Meisjes worden bijvoorbeeld voortdurend onder druk gezet om geen burgerlijk ingenieur te studeren. Leerkrachten moeten daarvoor openstaan. We moeten hen duidelijk maken wat al die studierichtingen inhouden, dat ze interessant zijn en dat je studenten moet aanzetten om vrij te kiezen. Veel van de leerkrachten zijn gewoon antitechnologisch. Wij hebben studenten nodig in alle studierichtingen. Als studenten niet aangezet worden om technologische richtingen te studeren, waar een groot tekort is, hebben we een groot economisch probleem. We moeten onze leerkrachten voldoende open-minded maken zodat ze beseffen dat er een enorme evolutie is in technologie. Iedereen gebruikt technologie, maar de meesten weten niet hoe dat werkt, wat daar achter zit.»

