maandag 13 mei 2013

“De universiteit wordt dociel”

Godsdienstsociologe Sarah Bracke is in volle voorbereiding voor haar vertrek naar Harvard. Aan de KU Leuven is ze niet langer welkom na “te veel onderzoek over gender en te weinig over het christendom”. Een gesprek over een gedwongen vertrek, academische vrijheid en vernieuwend onderzoek.

Philip Gallasz en Sam Rijnders, foto: Andrew Snowball

Waarom moet u de KU Leuven verlaten?

Prof. Sarah Bracke: «Het is een merkwaardig verhaal dat bij vele collega’s en ook bij mijzelf vragen blijft oproepen. Ik heb geen vaste benoeming gekregen. Volgens het advies van de facultaire beoordelingscommissie vul ik het profiel van mijn docentschap niet op een gepaste manier in. In mijn onderzoek gaat teveel aandacht naar gender en te weinig naar het christendom. Dat laatste kun je lezen als teveel aandacht voor de islam.»

Begrijpt u het verwijt dat gender te veel aandacht geniet in uw onderzoek?

Bracke:«Dat blijft onbegrijpelijk. Een systematische aandacht voor gender is doodnormaal in veel sociologiedepartementen wereldwijd. Gendermainstreaming heet dat: gender integreren als categorie van analyse naast andere categorieën, zoals etniciteit en klasse of socio-economische status. Men verwijt mij dat ik geen sociologie bedrijf maar genderstudies, wat veel zegt over de staat van de wetenschappelijke studie van gender aan onze universiteit. Een wetenschapster krijgt hier snel de stempel ‘genderstudies’ mee als gender een deel van haar onderzoek uitmaakt. In plaats van de verhoopte gendermainstreaming van de kennisproductie wordt de onderzoekster naar de marge van haar discipline geduwd. Tegelijkertijd blijven de genderstudiesinitiatieven aan deze universiteit erg beperkt, en worden ze meestal ingevuld door gendermainstreaming in plaats van daadwerkelijke genderstudies. Het interdisciplinaire vakgebied genderstudies is hier nauwelijks ontwikkeld, en dat geeft ons een achterstand in vergelijking met de rest van Europa. Studenten en doctoraatsstudenten zijn zich daar maar al te goed van bewust.»

U zou ook te weinig aandacht aan het christendom besteed hebben. Is de K van KU Leuven dan toch springlevend?

Bracke: «Het is inderdaad ironisch dat dit negatieve advies er kwam ten tijde van de discussie over de K van de KU Leuven. (lacht) Kijk, ik ben aangenomen als godsdienstsociologe. Dat men verwacht dat godsdienst vanzelfsprekend als christendom begrepen wordt, drukt niet alleen een onmiskenbaar eurocentrisme uit, maar toont ook hoe men over diversiteit denkt. Wat “anders” is, krijgt een aparte niche. Voor islam is dat een islam-niche en voor gender een genderniche. Met de onderliggende boodschap: laat vooral de business as usual ongemoeid.»

Wat loopt er dan mis met het huidige diversiteitsbeleid?

Bracke: «Discussies over diversiteit lokken hier nog steeds een zekere achterdocht uit ten aanzien van wetenschappelijke kwaliteit. Het gaat hier zowel om de diversiteit van academisch personeel als verschillende manieren van aan onderzoek doen. Het aantal vrouwen en etnische minderheden aan de Vlaamse universiteiten is een triest verhaal. Er is een braindrain van vrouwen en etnische minderheden die we ons niet kunnen veroorloven. Noch als samenleving, noch als wetenschappelijke instelling. Bovendien heeft wetenschap baat bij out of the box denken. Een positivistische monocultuur van het denken, versterkt door een neoliberale inslag en hoge publicatiedruk, ondermijnt de mogelijkheden voor kritische wetenschap.»

«We hebben geen ander diversiteitsbeleid nodig, maar een ander wetenschaps- en personeelsbeleid, waarin simpelweg het belang van diversiteit op een vergaande manier erkend en geïntegreerd wordt.»

Een beoordelingscommissie beslist of iemand vast wordt benoemd. Dat systeem werkt niet volgens u.

Bracke: «Een facultaire beoordelingscommissie stelt een advies op. De diversiteit en organisatiecultuur van die commissies is een groot knelpunt. Ten eerste de weinig diverse samenstelling ervan. Men moet hoogleraar zijn om in zo’n commissie te kunnen zetelen, en laat die geleding nu net de minst diverse zijn. Zoals Violet Soen van de faculteit Letteren onlangs in De Standaard zei, kiezen die commissies mensen met hun eigen profiel. Wederom witte mannen, met onderzoek dat ze herkenbaar vinden. In mijn commissie was er bovendien nauwelijks kennis over gender aanwezig, noch over godsdienstsociologie. Een commissie vol witte mannen zonder genderexpertise oordeelt dat ik teveel onderzoek doe naar gender. (lacht) Dit is meestal het punt in mijn verhaal waarop internationale collega’s uit hun stoel vallen. Ten tweede is er de principiële geheimhouding van de adviezen. Zo kunnen allerhande machtsspelletjes uitgespeeld worden. De adviezen die in feite het daglicht niet kunnen verdragen zijn legio. Het gevolg is een organisatiecultuur die zichzelf reproduceert.»

«Mijn verhaal is trouwens allesbehalve uniek, en het is niet verwonderlijk dat in de nationale en internationale netwerken die ijveren voor meer diversiteit in de academische wereld al lang gepleit wordt voor de openbaarheid van de beoordelingsdossiers. Vijftien jaar geleden hebben onderzoeksters via de rechtbank die openbaarheid kunnen afdwingen in Zweden, en hun onderzoek wees vervolgens uit dat de gewogen academische output 2,5 keer hoger moest liggen bij vrouwen dan mannen om gelijk te worden beoordeeld in post-doc beoordelingsdossiers.»

Academische vrijheid

Wat was de reactie van het rectoraat op het negatief advies, dat volgens u uw academische vrijheid schond?

Bracke: «Het Groepsbestuur Humane Wetenschappen en de Bijzondere Academische Raad hebben de beslissingsmacht. Zij hebben niet onmiddellijk het advies gevolgd, maar evenmin erkend dat het om een schending van de academische vrijheid gaat. Een van de vicerectoren noemde het later een “erg ongelukkige samenloop van omstandigheden”, maar voegde daar meteen aan toe dat het alles zegt over de prioriteiten van een instituut als dit op geen enkel niveau kan worden tegengehouden.»

Het debat over academische vrijheid woedde al eerder naar aanleiding van de zaak-Barbara Van Dyck.

Bracke: «Er werden toen grote uitspraken in de pers gedaan over academische vrijheid. Ironisch genoeg werd tegelijkertijd mijn eigen zaak door het rectoraat behandeld. Ik kreeg toen van collega’s het interview met de rector toegestuurd met de zinnen onderlijnd die ik rechtstreeks ter verdediging van mijn academische vrijheid kon aanwenden.»

«Er is hier iets vreemds aan de hand met academische vrijheid. Historisch gezien is dat principe sterk verbonden met de bescherming van onderzoek dat tegen de gevestigde manieren van denken en de orde van de dag ingaat. In het licht van de sterke industriële belangen die het onderzoek en het maatschappelijk debat over GGO’s (genetisch gemanipuleerde organismen, red.) sturen, zou precies de mogelijkheid om kritiek te ontwikkelen op GGO’s bescherming moeten verdienen. Maar hier werd academische vrijheid ingezet voor de bescherming van zwaar gefinancierd commercieel onderzoek, in plaats van de bescherming van minoritaire paradigma’s. Dat is een significante verschuiving, die veel zegt over onze neoliberale context.»

Angstklimaat

Is uw verhaal herkenbaar voor andere onderzoekers?

Bracke: «Delen ervan zijn zeker herkenbaar voor collega’s. Ik heb veel jonge collega’s, doctorandi, post-docs, maar ook jonge docenten weten weggaan, meestal in stilte. Ik heb alvast veel steun gekregen van collega’s uit mijn departement en andere faculteiten. Niet noodzakelijk diegenen met de meeste macht (lacht).»

«Door de tenure track (een drie tot vijfjarig traject voor docenten richting vaste benoeming, red.) duurt het langer vooraleer je vast benoemd wordt. Een vaste benoeming is vandaag een van de weinige beschermingsmechanismen tegen de uitholling van de academische vrijheid, omdat je job niet op het spel staat door wat je zegt. Maar dat moment wordt dus uitgesteld, en concreet betekent dat academische onzekerheid, permanente evaluatie en nieuwe vormen van disciplinering. De academische wereld volgt daarmee de neoliberale tendensen op de arbeidsmarkt. Met alle gevolg van dien: er is veel angst. Veel jonge collega’s menen dat ze voorzichtig moeten zijn. Dat is voor een stuk terecht, zoals mijn verhaal aantoont, maar het is jammer voor de academische vrijheid. Op deze manier wordt de universiteit dociel.»

Hoe voelt het om tegelijkertijd Leuven te moeten verlaten en naar Harvard te gaan?

Bracke: «Vijf jaar lang heb ik samen met anderen gevochten om mijn academische vrijheid. Die energie kan ik nu weer in mijn onderzoek steken. Ik kijk daar heel erg naar uit.»

«Anderzijds doet het pijn dat de vernieuwing en de thematiek die mij nauw aan het hart ligt hier wordt tegengewerkt. Het grootste deel van mijn academische loopbaan was buiten Vlaanderen en het stemt mij triest dat er hier zo weinig plaats is in voor wat anders is. Braindrain is een verhaal van gemengde gevoelens: blij met de nieuwe horizonten en triest omwille van de onmogelijkheden die men de rug toekeert. Maar ik heb van nature die optimism of the will waar Gramsci het over had: een andere universiteit blijft mogelijk. Ik weet dat er heel wat zaadjes geplant werden en blijf nauw verbonden met vele collega’s hier. Nieuwe en fijne samenwerkingen zijn in de maak. En ik laat uiteraard de strijd voor zowel gendermainstreaming en genderstudies in Vlaanderen niet los.»

Kunnen de rectorverkiezingen voor die andere universiteit zorgen?

Bracke: «Ik durf te hopen dat het enorm veel uit maakt maar dan moet men de boeg omgooien. Een rector die academische vrijheid weer begrijpt als de bescherming van minoritaire standpunten, die gender en diversiteit erg hoog op de agenda zet met resultaatsverbintenissen, en die de neoliberalisering van het wetenschappelijk onderzoek kan kenteren. Een rector die gelooft dat een andere universiteit nodig en mogelijk is, en tegen de gevestigde orde van de dag durft in te gaan om die universiteit te realiseren.»

Blind voor macht

Zoals de commissie opmerkte, speelt gender een grote rol in uw onderzoek. Hoe zou u dat in lekentermen definiëren?

Bracke: «Gender draait rond machtsverhoudingen, net als klasse en etniciteit. Binnen genderstudies vormen de verschillen tussen mannen en vrouwen het beginpunt van een kritische analyse van hoe ze tot stand komen. Dergelijke noties vertalen zich in zaken als seksueel geweld of de loonkloof. Dat zijn maatschappelijke problemen die resoluut aangepakt moeten worden, maar wanneer men nalaat om de symbolische m/v orde te ontmantelen, die samengehouden wordt door heteronormativiteit, blijft dit dweilen met de kraan open.»

Moeten we dan zover gaan om het biologisch onderscheid tussen man en vrouw in vraag te stellen?

Bracke: «Dat is oud nieuws hoor jongens. (lacht) De voorbije dertig jaar stond dat idee centraal in gendertheorie, denk aan Gender Trouble van Judith Butler. Voor haar is biologische sekse helemaal niet stabiel. We projecteren onze genderopvattingen met een strikt onderscheid tussen man en vrouw op de natuur. De biologische realiteit is veel complexer: denk maar aan hermafroditisme of alle mogelijke variaties tussen de morfologie van lichamen, de chromosomen en de hormonale huishouding.»

Tegelijkertijd leeft bij een groot deel van de publieke opinie het gevoel dat de feministische strijd gestreden is.

Bracke: «De feiten vertellen ons een heel ander verhaal. Bijvoorbeeld de persistentie en soms ook groei van seksueel geweld, waar ik ook geweld tegen holebi’s onder reken. De loonkloof wordt nog steeds ontzettend traag gedicht. Of kijk naar de positie van vrouwen in de katholieke kerk, of die in de academische wereld! Institutioneel seksisme is alomtegenwoordig.»

«Het is een mythe die terugkeert in de geschiedenis. Vrouwenrechten zijn niet (meer) nodig. Die mythe wordt versterkt door een neoliberale context met zijn discours van individuele verantwoordelijkheid. Iedereen heeft zogezegd gelijke kansen en een strijd voor minderheidsgroepen of een feministische strijd is passé. Dertig jaar neoliberalisme heeft ons collectief blind gemaakt voor machtsongelijkheid. Er is een soort nieuwe ongeletterdheid ontstaan ten aanzien van het functioneren van macht.»

Witte mannen

In een onderzoek naar het debat over de film Femme De La Rue keek u naar het verband tussen gender en religie. Heeft de allochtone gemeenschap een probleem met vrouwen?

Bracke: «Het korte antwoord is: niet meer of niet minder dan de etnische meerderheid. Het recente rapport van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen maakt duidelijk dat seksueel geweld behoorlijk evenredig verdeeld is over de bevolking. Worden de rechten van moslima’s door structurele factoren ingeperkt? Ja, zoals die van iedereen. Maar men lijkt stelselmatig te vergeten dat die inperking niet alleen door seksisme in hun eigen kringen gebeurt, maar ook door het racisme en seksisme van de etnische meerderheid. Als jonge moslima moet je verdomd veel ballen aan je lijf hebben om in dit Vlaanderen een hoofddoek te dragen.»

«Mij interesseert hoe het islamdebat ons denken over gender en seksualiteit verandert. Moslims worden afgebeeld als homofoob en plots wordt tolerantie voor homoseksualiteit een deel van onze waarden, zelfs voor rechtse politici. Vroeger hechtte het feminisme veel belang aan vrouwengroepen, waarin vrouwen onder elkaar ervaringen delen. Nu is een strikte scheiding tussen seksen problematisch als een moslimgemeenschap gescheiden zwemuurtjes voor vrouwen vraagt. Een witte feministe mag vragen om een vrouwelijke gynaecoloog, maar bij een moslima wordt dat verdacht.»

Moslims zouden nu eenmaal een andere cultuur hebben, zo wordt beweerd.

Bracke: « Als wetenschapster die cultuur bestudeert stel ik vast dat het maatschappelijk debat stoelt op een wetenschappelijk volledig achterhaalde notie van cultuur. In feite wordt de term cultuur gemobiliseerd voor een simplistisch ‘wij-zij’ denken: wij zijn beschaafd, zij zijn achterlijk.»

«Ook hier speelt de neoliberale context een rol. Cultuur gaat goed samen met een machtsontwijkende kijk op de werkelijkheid. Het valt op dat telkens iets aan cultuur toegewezen wordt, machtsrelaties zoals klasse en gender naar de achtergrond verdwijnen. Op die manier vormt cultuur het spiegelbeeld van het individu in een neoliberaal denken: cultuur houdt die ‘andere’ achterlijk, individualiteit maakt ‘ons’ vrij.»

Past het hevige debat rond neutraliteit aan het stadsloket daarin?

Bracke: «Neutraliteit bestaat niet. Wie bepaalt wat neutraal is? Een dominante meerderheid, die zichzelf als neutraal beschouwt, zoals Etienne Vermeersch. De vrouwenbeweging legt al meer dan honderd jaar het mechanisme bloot waarbij een mannelijke norm als neutraal voorgesteld wordt en vrouwen in het licht van die norm als ‘anders’ verschijnen. Het is jammer dat Vermeersch en co niet bereid zijn te leren uit die bevrijdingsstrijd.»

«Men schermt met de scheiding tussen kerk en staat, maar die is in België in grote mate geënt op godsdienstvrijheid, en minder op neutraliteit. Godsdienstvrijheid in onze context betekent dat het absoluut mogelijk moet zijn om een hoofddoek achter het loket te dragen.»

«De media spelen een grote rol in dit vermoeiend achterhoedegevecht. Waarom steeds weer Vermeersch en andere witte mannen die over de hoofden van moslimvrouwen heen spreken uitnodigen? White men saving brown women from brown men, zei de postkoloniale denkster Gayatri Spivak in de jaren ’80. We kennen de standpunten van die witte ridders van de beschaving, we kennen ze al sinds de koloniale missies. Zet die plaat af.»

Sarah Bracke | Volledig interview