Rector V.: De K van Rector
Het was al een tijdje rustig op het rectoraat. De meeste beleidsmensen hadden — uit wanhoop of uit machtshonger — besloten dat ze niet meer langs de Naamsestraat moesten om een beslissing te nemen. Rector V. kreeg steeds minder bezoek, althans relevant bezoek, en dat beviel hem wel. Vandaag was hij dan ook in alle ijver bezig met een legpuzzel van vijfhonderd stukjes. Vijfhonderd, dat was niet min! Het was een afbeelding van een abdij, waarvan alle raampjes op elkaar leken. V. was blij dat hij daar in alle ernst en rust aan kon werken.
Toch zwaaide de deur plots met een slag open toen Jan De Graeyer binnenstormde. Jan De Graeyer was professor aan V.’s universiteit, maar al een tijdje uitbesteed aan het Katholicisme Adorerende Docenten OpvangCentrum (KADOC). In het KADOC stockeerde de universiteit sinds mensenheugenis professoren die meenden dat de K van K.U.Leuven niet voor ‘kwaliteit’ maar voor ‘katholiek’ stond. Nu moest rector V, enigszins tot zijn eigen verbazing, vaststellen dat die professoren onder zijn beleid blijkbaar weer vrij rondliepen. Zonder begeleiding zelfs. V. vroeg zich af of dat niet te ver ging, maar per slot van rekening liep hij zelf ook rond, zo vrij als maar kon met O. die achter elke hoek en elke beslissing school.
De Graeyer was duidelijk in paniek. Hij zwaaide wild met zijn armpjes en gilde met overslaande stem: “Rector, ik heb u nodig!� Rector V. stond verbaasd te luisteren naar zoveel onzin, maar liet de arme man uitspreken. De Graeyer bleek een congres te organiseren over de leegloop van de kerken en vooral over wat er dan met die kerken moest gebeuren. Een hele middenbeuk van zo’n kerk een week warmstoken voor vijf bedlegerige oudjes die op zondagochtend door hun verpleegsters voor een uurtje werden afgezet, dat was niet rendabel. Het Vaticaan voerde weliswaar een interessante beleggingspolitiek, maar tegen alle lege kerken in Vlaanderen kon dat fonds toch niet op. Om nog maar te zwijgen over alle kathedralen, basilieken, kapellen, abdijen, kloosters en parochiezalen. Hoogste tijd voor een vergadering dus!
“V., er komt niemand naar mijn congres,� snikte De Graeyer. “Er kán ook niemand komen. Mijn congres heeft hetzelfde probleem als zijn thema (wat eigenlijk logisch is). En gij moet dat veranderen. Ge hebt nog wel iets goed te maken!� V. was vorige zondag nog de vespers gaan zingen en vroeg zich oprecht af wat hij goed te maken kon hebben.
“Ha!,� brieste een intussen op vol toerental gekomen De Graeyer, “Gij had vandaag priester moeten zijn! Als gij uw opleiding netjes had afgemaakt, waart ge op dit moment niet aan het puzzelen, maar een mooie preek aan het voorbereiden! En als gij als rector het slechte voorbeeld geeft, is het toch niet te verwonderen dat de rest ook afhaakt?�
Rector V. was uit zijn lood geslagen door zoveel verbaal geweld. Hij zocht wanhopig waar de fout in de redenering zat, maar voor hij die had kunnen vinden, had De Graeyer al een pen in zijn rechterhand gemoffeld en de inschrijvingslijst van het congres in zijn linkerhand. “Daar tekenen. Ja, flink zo.� Hij griste pen en lijst weer uit de hand van de ontredderde rector en liep het kantoor alweer uit, maar niet voor de arme V. de genadeslag te hebben toegediend.
“Als ge dan toch komt, kunnen we het misschien laten doorgaan in het rectoraat,� voegde De Graeyer er sluw aan toe, “want heel sfeervol is dat niet, zo’n lege abdij. In orde en bedankt hé, V!� Met een identiek slaande deur verdween De Graeyer weer. V. zuchtte diep en nam zijn agenda. De opening van het academiejaar zou met een weekje uitgesteld moeten worden zag hij, toen hij het congres in september 2007 wou inschrijven.
Paul-Henri Giraud