Rector V.: BAR weer
Rector V. had zich de voorbije weken suf lopen zoeken wat er mis was gegaan met zijn fameuze plan voor het Katholieke Centrum voor Kwezels. De papieren presentatie zat in een net plastic mapje en een powerpointpresentatie was te downloaden op Blackboard. Daar kon het beslist niet aan liggen. Het plan was door hemzelf uitgewerkt en dus zeer doordacht, daar kon het ook al niet aan liggen. Ten langen leste kwam de psycholoog in V. tot de conclusie dat de toehoorders de boosdoeners moesten zijn. De mensen moesten kunnen klagen en inderdaad, die kans had hij hen niet gegeven. Democratisch als V. was, vond hij dat hij de mensen dan maar moest geven waar ze om vroegen, als dat er tenminste zou voor zorgen dat ze stopten met zeuren.
Terstond trommelde V. dus een Bijzondere Academische Raad bijeen, een naam die al aangeeft dat andere Academische Raden weinig bijzonder zijn, wat overigens door de meeste van de leden wel wordt bevestigd als het hen onder vier ogen gevraagd wordt.
“Mannekes,� sprak rector V. de bijzondere vergadering vaderlijk toe, “ik begrijp dat er nog heel wat vragen zijn bij het KCK. Daarom mogen jullie allemaal één na één jullie hart eens luchten bij mij. Gooi het maar in de groep. Waarom zijn jullie zo wantrouwig?�
Een sceptische decaan opende de vragenronde: “Ik vraag mij af wat hiervan de meerwaarde is voor de universiteit. Voor de hogescholen ook trouwens. En wat de concrete gevolgen zullen zijn voor studenten en professoren. Is daar al onderzoek naar gedaan?� Er volgde een pijnlijke stilte. Er kwam niet meteen een antwoord en na enkele minuten nog steeds niet. De volgende nam dan maar het woord, in de veronderstelling dat V. op het einde van de vragenronde een totaalpakketje antwoorden zou leveren.
Er kwamen nog een aantal niet zo heel relevante vragen, over het tijdspad, de juridische basis, de financiering en het concept achter de onderneming, die allemaal even onbeantwoord bleven. V. pende ze allemaal vlijtig neer, het puntje van zijn tong tussen de tanden. Verdorie, dat waren meer vragen dan verwacht. Als hij die allemaal moest overtypen. en dan nadien nog beantwoorden ook. Er zou van zijn uurtje middagpauze weer niet veel overschieten en daar was hij nu toevallig aan gehecht. Hij had al gemerkt dat er van mediteren weinig in huis kwam als hij zijn middagpauze niet gebruikte.
Toen iedereen zijn zegje gedaan had, klapte V. in zijn handen. “Goed! Jullie hebben prima werk geleverd. Het waren zéér, zéér interessante vragen die hier naar bovenkwamen en daar ben ik blij om, want ze tonen dat jullie bezorgd zijn om de universiteit. Ik werk graag samen met mensen die hun bezorgdheid over een gezamenlijk project kunnen delen. Ik zal een ideeënbus aan mijn deur hangen voor als iemand suggesties heeft om aan deze bezorgdheden tegemoet te komen. Maar, en da’s niet minder belangrijk, er zijn ook nog broodjes en die willen we niet laten slecht worden, haha! Goed, dan beschouw ik deze vergadering als gesloten. Smakelijk!�
Op dat moment stond Staf Cior, vertegenwoordiger van het Zelfvoldaan Academisch Personeel op. Hij zag bleek van woede, maar V. wist de situatie handig te ondervangen. Hij tikte elegant met zijn bril tegen zijn champagneglas en kondigde aan: “Collega Cior wil een toast uitbrengen!�
Collega Cior hapte even naar adem en braakte toen zijn gal: “Wat mij nog van de lever moet: als alles over deze vergaderingen in de Veto verschijnt, hoe kunnen wij hier dan het debat nog voeren?� Hij keek priemend in de richting van de studentenvertegenwoordigers, die angstig in mekaar krompen. Rector V. wou tussenbeide komen en opmerken dat het helemaal niet de bedoeling was hier het debat te voeren, maar één van de decanen was hem voor: “Ik heb de mannen van de Veto zélf opgebeld. Of zij hebben mij opgebeld, daar wil ik vanaf zijn.� Hij streek zich waardig door de wijze baard en voegde er, ten overvloede, aan toe: “Maar ik heb niet gelekt hoor. Enfin, toch niet alles.� Een volgende decaan draaide zijn snor gracieus in een krul terwijl hij met gepaste trots mededeelde dat ook hij had gebeld. Een derde reageerde beamend terwijl hij zijn bakkebaarden gladstreek, maar hij had de journalisten op kantoor een kop koffie en een speculaasje aangeboden. Uiteindelijk bleek iedereen met het studentenblad te hebben gesproken, behalve de studentenvertegenwoordigers. Staf Cior zakte, intussen kreeftrood van verbaasde woede, weer op zijn stoel, maar Vervenne was tevreden dat hij kon aankondigen: “Dan zijn we het daar toch al allemaal over eens. Onderwerp en vergadering definitief gesloten. Staf, gij nog eentje met zalm?�
Paul Henri-Giraud