maandag 18 mei 2009 - jaargang 35 - nummer 25
Dagboek van rector-elect Geert Janssen (12)
Het zijn immers mensen
De campagne is nog maar net achter de rug, maar op zijn lauweren rusten is er niet bij voor Geert Janssen, student en voormalig rectorskandidaat. Fluks is hij meteen uit de startblokken geschoten. Een impressie van zijn eerste week als verkozen rector lezen we in de laatste dagboekfragmenten van deze flamboyante persoonlijkheid.
Marnix de Grove, Reinhilde Van Bosschen & Guillaume Zwagerman
Maandag. «Wanneer ik door de universiteit waar, gevoel ik hoe de hoop der mensen mij schraagt. De gedragenheid van mijn verkiezing is groot, dat vertelt mijn intuïtie me. Hoe heb ik ooit een moment kunnen twijfelen aan mijn eigen kunnen? Maar dan: is gezonde twijfel op tijd en stond niet de ideale basis voor een krachtdadig beleid, een toegewijd bestuurder? Ik weet het niet, wat me een prima teken lijkt.» Dinsdag. «Stilaan begin ik de schetsen te tekenen van mijn nieuwe ploeg. De voorbije maanden heb ik tientallen mensen mogen spreken, dus ik heb al zo'n idee van wat de universitaire gemeenschap me te bieden heeft. Makkelijk zal het niet worden om zes competente vicerectoren te vinden, maar een neus voor talent is wat mij kenmerkt. Evident is wel, dunkt me, dat minstens vijf onder hen van vrouwelijk allooi zullen zijn. Wees gerust, beminde gelovigen: ik heb niet enkel vertrouwen in eigen kunnen.» Woensdag. «De verslagen kandidaat die ik tegen het vege lijf loop, gunt me geen blik. Hij vertoont atrofie, maar dat zeg ik hem niet. "Heb moed," spreek ik, "ook jouw bijdrage tot het universitaire debat mocht er wezen." Hij antwoordt niet en vervolgt gebelgd zijn weg, in een richting die tegengesteld is aan de mijne.» Donderdag. «Des avonds woon ik een debat bij over de problematiek van mensen zonder papieren, die er in essentie uit bestaat dat zulke mensen geen papieren hebben. Het thema ligt me na aan het hart. Dit is iets waarbij ik zoiets heb van: ja, hier ga ik voor. Mijn ongeveinsde interesse laat ik evenwel de vorm aannemen van een geeuwend gelaat met verveelde oogopslag, zodat ik deze mensen - dat zijn ze immers nog altijd - geen valse hoop verschaf. Zo ben ik dan ook wel weer.» Vrijdag. «Ik ben nu net een week verkozen. Gaarne zou ik vanavond de studenten bedanken voor de eendracht in hun uitmuntende keuze zich achter mij te scharen, ik heb gehoord dat ze verzamelen hebben geblazen voor een Algemene Vergadering. Wanneer ik er echter ga aankloppen, krijg ik nul op het rekest alsook een deur in het aangezicht. In navolging van de Ku-Klux-Klan houden de studenten blijkbaar een gesloten vergadering. Ben ik even blij me vanaf heden rector te kunnen noemen in plaats van student.» Zaterdag. «In stilte maak ik mezelf en de wereld een belofte. De volgende vier jaar beoog ik zodanig gedegen en gedreven te arbeiden, mijn plicht te vervullen voor de universiteit en haar leden, dat, indien onze Alma Mater nog duizend jaar zou voortbestaan, men nog steeds zal zeggen: This was her finest hour.» Zondag. «Voorbij is de aanzet, dit is het einde van het begin. Hard heb ik gewerkt en geschreven om de startlijn van het rectorschap te halen, nu begint het echte werk. Tijd voor mijn dagboekfragmenten zal ik niet meer hebben en als ik dan toch iets te noteren heb, houd ik het liever bij tot de publicatie van mijn explosieve memoires.»«Eén zaak blijft ontegenzeglijk werkelijk: de toekomst ligt nu in mijn parels van handen. En mijn handen beginnen vandaag.»