Het vuur en de pissebed

Dagboek van een student

10 april 2018
Artikel
Auteur(s): Daan Pohlman
Verborgen in een holte. Daar zat ie dan, de pissebed die dacht aan de vlammen van mijn smeulende haardvuur te ontkomen.

Bevangen door rook en hitte krulde het nietige insect zich op tot al zijn lichaamssappen begonnen te koken. Een ‘Piiiiiieuw’ geluidje gaf aan dat zijn crematie voltooid was. Tof hoor, zo’n open haard op kot.

Lillian lag opgekruld in mijn bed. Haar lichaam gloeide als een kooltje. Vurig de liefde bedrijven kan een tenger vrouwenlichaam tekenen. Jean de la Fontaine zou er een mooie fabel over geschreven kunnen hebben: ‘Het vuur en de pissebed’. Laat je niet bevangen door vurige liefde. Ze laat je enkel in zak en as achter. Hoewel, toch even mooi een rebound girl gevonden voor Laura.

Teder laat ik de deur achter mij in het slot vallen. Gesprekken over gevoelens laat ik liever over aan mannen in gele zwembroek en praatzieke vrouwen uit Blind Getrouwd. Rond de middag zullen zonnestralen over mijn balkon glippen en stiekem in haar ogen prikken. Jammer dat ik er niet zal zijn als die grote ree-ogen voorzichtig rondturen in het donkere hol dat mijn kot is.

Als een echte pedaalridder chargeer ik met mijn fiets door groepjes studenten, sacochen en buidels vol codexen moeten wijken voor mijn ratelend gevaarte richting Centrale bib. Ik heb er zin in, onder toeziend oog van Kardinaal Mercier tokkel ik tot in de vooravond aan het langverwachte vervolg van mijn thesis. Wat een zaadlozing niet kan teweegbrengen voor iemands academische carrière. Lillian vindt het allemaal prima. Onze verstandhouding is uitgemond in een stilzwijgend seksueel pact.

Ons leven overdag ging van een ongecontroleerde stroom naar een strak uitgegraven kanaal, zoals dat tussen Charleroi en Brussel… maar dan helemaal anders. Geen rafts en helmen voor moest je kopje onder gaan bij de stroomversnelling die het leven soms in petto heeft, eerder lange maalboten die langs de oever getrokken worden door sterke Brabantse trekbaarden. Wij zijn een koppel verdomd goede trekpaarden.

Wat ons leven na het ondergaan van de zon betreft, kan ik de vergelijking nog wel even doortrekken. Het is echt geen moeite. Signalen en seinen worden uitgewisseld. Ik manoeuvreer me tussen haar dijbenen, twee verzande oevers begeleiden me tot aan een massieve sluispoort in de verte. De geur van algen en kikkerdril blijft kleven aan mijn neusharen. Eenmaal haar libido op peil is, kan ik heel gestaag met mijn gevaarte haar sluisje in. Water klettert langs de zijkant. Armen en benen doen dienst als meertouwen die alles in goede banen moeten leiden.

Zolang ik maar s ’ochtends de deur teder achter mij blijf sluiten en productief bezig ben met mijn thesis, kan zij voor de rest van de dag haar verplichtingen vervullen. Van chaos naar structuur in een kleine week tijd, meer niet. We hadden beide nood aan een verstandhouding waar basisbehoeften met regelmaat vervuld werden. Een kleine kus in het kuiltje van haar mondhoek bij het opstaan, een hoofd dat zich op mijn schouder legt als ik mijn mails nog aan het nalezen ben, naar de winkel gaan met de gedachte om voor 2 personen te koken. Ik investeer energie in een ander om het dan dubbel terug te krijgen.

Met z’n tweeën konden we opeens een stuk beter de wereld aan.