'Ik zie ons als een bondgenoot van Gaia'

KU Leuven trekt Belgisch en Europees gemiddelde in surplusdieren omhoog

03 maart 2020
Analyse
Auteur(s): Joanna Wils
België staat op de zesde plaats in de Europese rangschikking van het aantal gebruikte proefdieren. De KU Leuven staat in voor een vijfde van die proeven, maar is ook een koploper in 'surplusdieren'.

Begin februari gaf de Europese Commissie een statistisch rapport vrij in verband met de dierproeven in 2017. Voor de kleine omvang van ons land, liggen de cijfers heel hoog: maar liefst 507 153 dieren werden gebruikt. De KU Leuven staat met meer dan 98 000 dieren in voor een groot deel van die proeven. Maar, zegt Jef Arnout, voorzitter van de Reflectiegroep Dierproeven aan KU Leuven, 'het aantal dierproeven kan je niet uitleggen per capita'.

Dura lex

Dierproeven zijn vanuit Europa en via nationale wetgeving streng gereguleerd. Als een onderzoeksvraag beantwoord kan worden zonder op dieren te testen, zijn dierproeven bij wet verboden. Indien een sluitend antwoord dierproeven vereist, belandt het onderzoek in de Europese statistieken. Louter op basis van de cijfers is het moeilijk een kwalitatief oordeel te vellen. De aantallen houden namelijk verband met de specifieke vraagstelling. 

De ethische commissie van de KU Leuven houdt niet enkel rekening met de noodzaak van proefdieren binnen het onderzoek, maar ook met het belang van de onderzoeksvraag zelf. Enkel voor relevant onderzoek stemt ze ertoe in om tot dierproeven over te gaan. Volgens Arnout wordt deze aanpak weerspiegeld in de impactfactoren: een indicatie voor hoe vaak artikels van dat tijdschrift in andere artikels werd geciteerd. 

Die liggen bij biomedische onderzoeken waarbij dieren gebruikt zijn gemiddeld hoger dan bij ander onderzoek. Enerzijds gaan onderzoekers pas bij relevante vraagstelling over tot proefdieren, anderzijds kennen wetenschappelijke tijdschriften er meer geloofwaardigheid aan toe.

Relevant voor neuro- en oncologie

Dierproeven worden in België en aan de KU Leuven voornamelijk uitgevoerd binnen fundamenteel onderzoek. In contrast met toegepast onderzoek uit de bedrijfswereld, legt fundamenteel onderzoek zich toe op de werking van basismechanismen. Uit het Europees rapport blijkt dat het merendeel uitgaat naar het menselijke immuunsysteem, het zenuwstelsel en oncologie. Aan de KU Leuven ligt de focus voornamelijk op de laatste twee domeinen. De universiteit van Gent specialiseert zich dan weer in de niche van het immuunsysteem.

De onderzoeken liggen duidelijk in lijn met hedendaagse maatschappelijke uitdagingen. Door de veroudering van de bevolking wordt er steeds meer belang gehecht aan onderzoek naar dementie, de ziekte van Parkinson en kanker. Jef Arnout licht toe: 'Een tiental jaar geleden stond cardiovasculair onderzoek bovenaan de lijst, maar ondertussen zijn op dat domein al baanbrekende doorbraken geweest.' Desondanks blijven hart- en vaatziekten een belangrijke doodsoorzaak.

Van het dier naar de mens

Meer dan 95% van het dierproefonderzoek aan de KU Leuven heeft menselijke aandoeningen als voorwerp. Toch loopt de extrapolatie van dier naar mens niet altijd van een leien dakje, want, vertelt Arnout, 'mensen zijn geen ratten van 75 kilogram'. Toch blijft hij stellig het belang van dierproeven verdedigen. Fundamentele mechanismen zijn binnen alle zoogdieren namelijk heel gelijkaardig; ook inzichten over wormen zijn relevant om de mens te begrijpen. 'En zelfs wanneer onderzoeksgroepen vastlopen en een piste moeten opgeven, vloeien daar inzichten uit voort.'

Aan de KU Leuven is het aantal dierproeven de laatste jaren gedaald

Kris Meurrens, directeur van het proefdierencentrum, voegt toe dat dierproeven relevanter worden gemaakt aan de hand van genetische modificaties. Door genetische codes te wijzigen kunnen menselijke processen worden nagebootst. Op die manier worden menselijke reacties beter voorspeld. 

Van proefbuis naar dier en terug 

Aan de KU Leuven is het aantal dierproeven de laatste jaren gedaald. Toch hoeft die trend zich niet verder te zetten. Per experiment dalen de cijfers, maar in de toekomst kunnen er misschien weer meer experimenten worden uitgevoerd. Zodra er nieuwe vragen gesteld worden, kunnen de cijfers opflakkeren. Meurrens illustreert: 'Zebravisembryo’s worden tot de zesde dag niet in de statistieken opgenomen. Zodra iemand een proef uitvoert op oudere embryo’s, schieten de statistieken de lucht in.'

Bovendien kan een daling ook het gevolg zijn van een gebrek aan geld voor een bepaalde onderzoeksgroep, of wijzen op een capaciteitsprobleem om een groot aantal dieren te huisvesten.

Hoewel de daling dus niet volledig aan bewuste beleidskeuzes kan worden gewijd, spelen nieuwe technologische ontwikkelingen wel degelijk een rol: in-vitro proeven en zelfs computermodellen zijn vaak gebruikte methodes. Zeker voor opleidingen in het hoger onderwijs, die in 2017 instonden voor ongeveer 2% van het totaal aantal dierproeven, worden alternatieven veelvuldig aangewend.

In 2017 werden 76 000 muizen gebruikt; 157 000 geëuthanaseerd zonder te zijn gebruikt

Toch benadrukt Meurrens dat de complexe interactie tussen verschillende weefsels moeilijk te imiteren is. 'Het is zelden een een-op-eenvervanging. Het zijn eerder complementaire testen binnen een iteratief proces.' Van de proefbuizen naar het dier en weer terug dus.

Hergebruik dieren

Een andere methode om de cijfers te verlagen is om dieren van de ene naar de andere proef te laten overgaan. Dit hergebruik is enkel toegestaan indien het dier niet ernstig heeft geleden in de eerste proef en niet ernstig zal leiden in de tweede proef. Uit het Europees rapport bleek dat in België minder dan 1% van de dieren als 'hergebruikt' wordt gekwalificeerd. 

Dit lage percentage heeft verschillende verklaringen. Vaak worden dieren gedood om bepaald weefsel te verzamelen voor stalen. Ook de korte levensduur van veel diersoorten speelt een rol. Daarnaast kunnen genetisch gewijzigde organismen vaak slechts eenmalig worden gebruikt. Ze worden gekweekt om een specifieke ziekte te bestuderen en zijn ongeschikt voor onderzoek naar een andere genetische wijziging. Aan de KU Leuven vindt veel onderzoek plaats op genetisch gewijzigde zebravissen en muizen: dit is wellicht een verklaring voor de lage score 'hergebruik' in België. 

Statistiek

Onderzoekers proberen het aantal tests algemeen te beperken, maar moeten ook voldoende materiaal hebben om correcte resultaten te verzekeren. Statistiek speelt een fundamentele rol in de zoektocht naar dit evenwicht. Bij onderzoeken naar toxiciteit vinden er nog steeds occasioneel problemen plaats bij de eerste proefpersonen. Nog erger is een situatie waarbij het probleem pas wordt vastgesteld in een latere fase, wanneer een geneesmiddel bijvoorbeeld al op de markt is.

Zo’n problemen kunnen potentieel vermeden worden door langer dierproeven uit te voeren. 'Het draait om het risico dat je wil aanvaarden', legt Meurrens uit. Aan de KU Leuven vormt onderzoek naar toxiciteit de uitzondering op de regel; ze focust zich voornamelijk op kennisverwerving rond ziektemechanismen.

Dierentuin KU Leuven 

Naast proefdieren bestaat er nog een categorie: surplusdieren. Dit zijn gefokte dieren die helemaal niet gebruikt zijn en dus ook niet in de statistieken worden opgenomen. De KU Leuven is zelf een erkende fokker en produceert ieder jaar een enorm aandeel surplusdieren. Ter illustratie: in 2017 werden 76 000 muizen gebruikt, meer dan het dubbele aantal (157 000) werden geëuthanaseerd zonder te zijn gebruikt. 

Ook hier speelt het specifieke onderzoeksdomein van de KU Leuven een rol. In tegenstelling tot toxicologische studies, waarbij bijna alle dieren ingeschakeld kunnen worden, worden de experimenten bij onderzoek naar ziektemechanismen gestandaardiseerd. De variabelen worden zo eng mogelijk gehouden om de statistische kracht te vergroten. Enkel dieren met een specifiek gewicht, geslacht of bepaalde leeftijd komen in aanmerking.

De KU Leuven trekt niet enkel het Belgische, maar ook het Europese gemiddelde aantal surplusdieren omhoog

Daarnaast stipt het proefdierencentrum de genetische modificaties aan als voornaamste oorzaak. Zo werkt de KU Leuven met enorm veel genetisch gewijzigde lijnen. 'Voor bepaalde experimenten hebben we specifieke genetische afwijkingen nodig die wetenschappers zelf aanmaken. Bij overerving van een recessieve afwijking is slechts een aandeel van de genetisch gewijzigde lijn bruikbaar in het experiment', duidt Arnout. Zo trekt de KU Leuven niet enkel het Belgische, maar ook het Europese gemiddelde aantal surplusdieren omhoog.

Goede voornemens

Binnenkort komt het proefdierencentrum naar buiten met een uitgebreid rapport over de surplusdieren. Het centrum zelf zegt alvast te zoeken naar manieren om het grote aantal surplus- én proefdieren in te perken. Arnout beschouwt zichzelf als een bondgenoot van Michel Vandenbosch, voorzitter van Gaia: 'We willen allebei dat dierproeven ophouden, alleen hebben we een andere timing.' 

Voor Arnout is totale afschaffing in de nabije toekomst onrealistisch. Op sommige domeinen zal de vermindering ook sneller ingang vinden dan op andere, voegt Meurrens toe.