Interview bobsleeërs van de Junior Belgian Bullets

Sleetje rijden aan 120 km/u

01 december 2014
Interview
Auteur(s): Brecht Castel
Studentes Lien De Decker (20) en Hanne Wouters (22) dromen ervan om met hun bobslee naar de Olympische Spelen te gaan. Op weg naar 2018 proberen ze (financieel) niet te crashen.

Op de atletiekpiste van het Sportkot doen vier meisjes rare oefeningen met elastieken. Lien roept lacherig “Ju!” naar Hanne. Daarop begint Hanne als een jong veulen te spurten met Lien als ballast.

Lien heeft net als in de slee en het interview de touwtjes stevig in handen. Zij studeert criminologie en is al een jaar pilote bij de Junior Belgian Bullets. Hanne is nog maar een paar maanden remster bij het team en zit in haar master psychologie.

Bobsleeën voor vrouwen is een jonge sport in ons land. Op de Olympische Winterspelen in Sochi werden de Belgian Bullets met Elfje Willemsen en Hanna Mariën dit jaar wel knap 6e.

Wat is jullie plaats binnen het Belgische bobsleeën?

Lien De Decker: «Wij maken deel uit van de nationale juniorploeg. Je bent junior tot je 26ste. Binnen de pilotes is er nog geen echte hiërarchie. Bij de remsters is er een soort rangschikking van wie bij welke pilote zit.»

Klopt het dat jullie zelf sponsorgeld moeten aanbrengen voor het team?

Hanne Wouters: «Ja, elk jaar moeten we elk 5000 euro verzamelen. Bobsleeën is een heel dure sport. Grote sponsors vinden is haast onmogelijk, dus zoeken we kleine sponsors of organiseren we een eetfestijn. Dat is echter heel moeilijk en tijdrovend. Tot twee maanden geleden had ik nog nooit in een bobslee gezeten en dan is het moeilijk om mensen te overtuigen.»


Grasmaaier

Hoe trainen jullie hier in België?

Wouters: «We doen vooral atletiek- en krachttrainingen om explosiviteit te kweken. We hebben ook een pushcar, een soort simulatie van een slee.»

De Decker: «Vanaf september gaan we soms naar Letland om op ijs te kunnen lopen. Daar is een soort bobsleestartbaan, maar daar trainen kost 150 euro per uur!»


Hanne, op Twitter postte je dat je oefende met een grasmaaier?

Wouters: «(lacht)Ja, voor ik geselecteerd was voor het team wou ik toch wat trainen en mijn mama had gezegd dat ik dan maar het gras moest afrijden.»

De Decker: «Of met winkelkarretjes in de supermarkt! Bobsleeën is iets dat nooit stopt, je staat er mee op en je gaat er mee slapen. Mijn dag wordt gepland rond mijn trainingen, zoals andere studenten plannen rond hun les.»

Hoe combineren jullie je studie met bobsleeën?

De Decker: «Spreiden is het toverwoord. Als we vrije momenten hebben op buitenlandse trainingen zijn we meestal samen aan het studeren. Voor de rest zijn wij eigenlijk – dat is erg om te zeggen – vrij saaie mensen. (lacht) Buiten onze sport toch!»

«Dankzij het topsportstatuut heb ik vorig jaar mijn examens bijvoorbeeld in februari gedaan, tijdens de Winterspelen waarvoor ik niet geselecteerd was.»

“Ik train zelfs met winkelkarretjes. Bobsleeën stopt nooit.”

Piloot Lien De Decker

Bobsleeën lijkt ons voor een groot deel tussen de oren af te spelen. Helpen jullie studies daarbij?

Wouters: «Ja, ik vind dat heel interessant, omdat ik later ook sportpsychologe wil worden. Bij bobsleeën moet je elkaar heel hard vertrouwen. Als piloot heb je ook een grote verantwoordelijkheid. Er zit iemand vanachter en als er iets gebeurt dan…»

De Decker: «… is het mijn schuld! Als je nog maar twijfelt aan het vertrouwen dat je remmer in jou heeft, dan begin je aan jezelf te twijfelen. Dan heb je kans op crashes. Het moment na een crash is mentaal het zwaarste. Als remmer is dat echt heel pijnlijk: je komt met de schouder, de rug en het hoofd bijna op het ijs terecht. Als piloot is dat heel moeilijk om te verwerken. Voor de piloot is het mentaal veel moeilijker dan fysiek.»

Wouters: «Ik doe mijn thesis trouwens over het verband tussen teamvertrouwen en prestatie. (aarzelend) Dus eigenlijk ben ik een casestudie van mijn eigen thesis. Ik ga het wel bij anderen onderzoeken, maar het is echt wel heel interessant omdat je het zelf ook meemaakt. Een vragenlijstje tussen twee runs lijkt me geen goed idee. “Teamvertrouwen? Nul.”» (lacht)

De Decker: «Dan ga ik wel even wenen voor ik moet afdalen!» (lacht)

“Ik ben een casestudie van mijn eigen thesis.”

Remmer Hanne Wouters

Wat zijn jullie doelen?

De Decker: «In februari is er het WK voor junioren in Altenberg. En het grote doel is natuurlijk om één of twee keer aan de Olympische Spelen deel te nemen.»

Wouters: «Ik heb nu veel stress omdat ik sponsoring moet zoeken en het is lichamelijk soms zwaar met crashes. Dan vragen mijn ouders: “Waarom wil je dat doen?” En dan zeg ik: “Maar, wie weet, sta ik binnen drie jaar op de Spelen! Dan ben ik dit allemaal vergeten.”


Diamond Turtle

Hoe belangrijk is het om een goede slee te hebben?

De Decker: «Ik denk dat je start meetelt voor 40%, je sturen ook voor 40% en je materiaal voor 20%. Elfje was voor Spanky(de snelle bob van het seniorenteam, red.) ook al een toppilote, maar dat kwam er gewoon niet uit omdat ze niet het juiste materiaal had. Je slee is zeker zeer belangrijk op hoog niveau.»

«Onze sleeën zijn oudere broertjes van Spanky. Onze ene bob heet Sharky en mijn bob heet Diamond of Turtle. Of Diamond Turtle!» (lacht)

Hoe voelt het om in een bob te zitten?

De Decker: «Na je start ben je redelijk kapot en spring je in de slee. Je probeert in een zo kort mogelijke tijd je hartslag terug normaal te krijgen, zodanig dat je geconcentreerd kunt sturen. Dan probeer je het plan in je hoofd zo goed mogelijk uit te voeren. We halen heel hoge snelheden, maar als piloot voelt dat trager aan. Tijdens een afdaling zie ik echt alles.»

Wouters: «Ik zie niks. Ik zit met mijn hoofd tussen mijn knieën. Voor mij is een afdaling vollen bak aanlopen, inspringen en dan zo snel mogelijk stil zitten. Ik leer ook alle bochten van buiten en dan voel ik of we goed of slecht bezig zijn. Op het einde roept de pilote “Ja!” en dan kom ik recht en rem ik.»

Kunnen jullie begrijpen dat sommige sportliefhebbers het saai vinden om naar bobsleeën te kijken?

Wouters: «Ik begrijp dat wel…»

De Decker: «Ik begrijp dat niet!»

Wouters: «Ik had dat in het begin ook. Als je er niets van kent, dan ziet dat er allemaal hetzelfde uit. Als het vaker op tv zou komen, dan zouden mensen het beter begrijpen. Je moet gewoon denken: “Die gaan tegen 120 km/u naar beneden met enkel een helmpje als bescherming en met een zot vooraan die aan wat touwen trekt!”»

De Decker: «Ja inderdaad, je moet vooral letten op de starttijden. Dat is al zeer interessant om te vergelijken. Het is ook boeiend om te zien hoeveel tijd je kunt verliezen met een stuurfoutje in één bocht. Ik kan zonder de tijden te zien, weten welke afdaling het snelste was.»

Heeft een pilote bij bobslee meer aanzien dan een remster?

De Decker: «Ja, de piloot heeft “meer” aanzien. Vaak wordt het team ook genoemd naar de achternaam van de piloot. Wij willen echter wel dat de remsters worden gezien als volwaardige teamleden. Bij de senioren was Hanna Mariën als remster trouwens bekender dan Elfje.»

Van links naar rechts: Hanne Wouters, Lien De Decker, Lieze Peeten en Sophie Vercruyssen.

Is het dan de amibitie van elke remster om pilote te worden?

Wouters: «Voor mij niet. Als ze dat beginnen uit te leggen met “drukpunten” en zo, kan ik al niet meer volgen. (lacht) Ik zou ook die verantwoordelijkheid niet aankunnen.»

De Decker: «Je moet het vooral ook zelf willen en kunnen. Ik heb het al moeilijk om naast iemand in de auto te zitten. (grijnst) Ik ben een redelijk harde controlefreak: ik sta als pilote met minder stress aan de start dan vroeger als remster.»

«Ik ben ook heel competitief en perfectionistisch. Van een mislukte afdaling word ik heel slecht gezind. Dan moet iedereen mij met rust laten. Er kunnen dan helmen, schoenen en van alles in het rond vliegen.»