Life is short, art is long

Coronacolumn

22 maart 2020
Artikel
Auteur(s): Emiel Roothooft
Kortgeleden had ik een moment waarop alles klopte.

Het begon met een dagelijks quarantaineritueel: Proust lezen, glaasje rode wijn en een streepje klassieke muziek, mijn geest gehuld achter een sluier van rust, genoegzaamheid en lyriek. Maar toen ik opeens bij een hartstochtelijke passage kwam, waarbij mijn gemoed bij elke zin gestoken werd door het zoete lemmet van een antiek mes, ging de autoplay op YouTube over naar Vivaldi Recomposed van Max Richter. Blijkbaar was ik enkele jaren geleden gestopt met luisteren op minuut zeventien, want in medias res overrompelden de krachtige strijkers mij met hun zomerse melodie. 

Uit pure zinsverbijstering moest ik mijn glas wijn neerzetten, en werd ik door Terpsichore zelf, de muze van de dans, opgeheven uit mijn stoel, waarna ik, bewogen door een cartesiaanse ontmoeting van lichaam en geest, mijn ledematen de lucht ingooide, met de bevlogenheid van Leonard Bernstein op een symfonie van Mahler luchtviool begon te spelen, en genadeloos bij elke snarenslag een hair flip deed – wat nog niet zo belachelijk was gezien mijn haar een rastafari-lengte heeft aangenomen nu de kapper niet de meest paradijselijke der handelszaken is. De centrifugale kracht die ik had ontketend, duizelde me, maar ik bleef doorgaan, steeds harder tollend in de muzische ether die mijn kamer had gevuld. Na een laatste mokerslag stopte de muziek, en rolde ik zachtjes uit mijn magische ervaring. 

Op mijn tafel lag mijn opengeslagen boek nog te wachten op haar trouwe lezer, de bladzijden nog wapperend door de wind. Uit mijn raam zag ik het rusthuis aan de overkant van de straat, door de zon vermaand tot goede zorg. Ik keek naar de gesloten gordijnen en dacht aan hen die zich erachter verborgen. Hadden ze gekeken? Hadden ze me zien dansen? Verteerd door de meest pijnigende gedachten, stond ik binnen de kader van mijn venster het stilleven te bekijken dat mij met de grootste precisie was tentoongesteld.  

Tot plots in me opkwam waar ik Vivaldi Recomposed nog had gehoord: La Danseuse, een film van Stéphanie Di Giusto over de wereldberoemde Loïe Fuller. Met haar danse serpentine pakte ze elke vaudeville in en vulde ze de Opéra Garnier in Parijs meer dan een keer. Met een paar aaneengenaaide doeken en lichteffecten creëerde ze een schouwspel dat voor iedere negentiende-eeuwse Parijzenaar surreële kwaliteiten uitstraalde. Net als Fuller voel ik mij bevangen door een walm van creativiteit telkens ik naar Vivaldi luister. En misschien was het deze quarantaine die mij heeft doen voelen wat ik nooit eerder had gevoeld: onverschrokkenheid, vastberadenheid en romantiek. Het leek nu het moment om de eerste stappen te zetten naar het bestaan van een kunstenaar. Ik besloot me niet meer neer te leggen bij de absurditeit, de banaliteit en de vergetelheid. 

In mijn kunstzinnige hersenspinsels moest ik terugdenken aan Seneca's traktaat over de kortheid van het leven (De brevitate vitae), wat destijds een grote indruk had nagelaten op mij als onbezonnen, conformerende scholier. Ik haalde heel mijn kamer overhoop om dat kleine boekje te vinden, en op een plaats waar ik het nooit verwachtte, in een vergeten lade vol onnodig schoolgerei, lag het, de pocket van Penguin die mijn leven had veranderd. Verwoed begon ik de eeuwenoude woorden te doorzoeken. En daar stond het, een citaat van Hippocrates, dat van mijn ogen tranendalen maakte: 'Life is short, art is long.'