Tijd om kleur te bekennen in de kunstwereld

Essay

11 maart 2020
Opinie
Auteur(s): Primrose Ntumba
De kunstsector doet haar best om diversiteit meer en meer op het podium te brengen. Toch loopt het nog steeds mis: misschien al minder op de planken zelf, maar achter de schermen is nog veel werk.

Hoewel we in België de betekenissen van 'dekolonisatie' nog niet helemaal onder de knie hebben, lijkt de term intussen alomtegenwoordig. De meesten onder ons kennen dekolonisatie vooral in het kader van de publieke ruimte. Denk maar aan de debatten over de standbeelden of straatnamen die rechtstreeks naar de koloniale periode van België verwijzen: halen we ze weg of laten we ze staan?

Alleen stopt de discussie daar natuurlijk niet. Ook de kunstsector, bijvoorbeeld, kan een belangrijke rol spelen in dekolonisatie. Meer zelfs: in sommige opzichten kan wat er in de kunstwereld op kleinschaliger niveau gebeurt, een indicatie zijn voor wat er op maatschappelijk vlak wel of net niet goed gaat. Een van de meest controversiële en bekende instellingen die in België symbool staat voor dekolonisatie is het AfricaMuseum.

Ook in de kunstsector is diversiteit hoog in de hiërarchie en zelfs in lagere rangen van de organisatie moeilijk vindbaar

Na een renovatieperiode van vijf jaar zou het AfricaMuseum 'gedekoloniseerd' zijn. Met die uitspraak schiep de directie van het museum nogal hoge verwachtingen voor 'het laatste koloniale museum', zoals er op internationaal niveau naar verwezen werd. Intussen komt de directie gelukkig terug op de berichten die ze voor de heropening van het museum in december 2018 de wereld instuurden. Het is duidelijker geworden, zowel voor het museum als voor de buitenstaanders, dat dekolonisatie een proces is, dat desnoods langer dan vijf jaar in beslag moet nemen.

Waarom is het dekoloniseren van dit museum in vijf jaar tijd dan niet geslaagd? Een museum heeft in se de functie om artefacten en kunstobjecten uit het verleden te herbergen, te restaureren en tentoon te stellen voor het grote publiek. Dekoloniseren gaat grotendeels over het afbreken van machtsstructuren die een bepaalde manier van denken in stand houden. Die structuren zitten geworteld in ons onderwijs, de media en de politiek. Maar ook in de kunstsector, die nochtans de reputatie heeft om vrij, open van geest en flexibel te zijn lijkt het even moeilijk om definitief komaf te maken met de denkwijzen en representaties die de witte en mannelijke bevolkingsmeerderheid als de norm beschouwen.

Wie bepaalt welke kunst het waard is om te produceren of tentoon te stellen?

Waar witte mannen aan de top staan, dus eigenlijk bijna overal in de westerse wereld, is het nuttig om het dekolonisatiedebat te voeren. En zelfs in de kunstsector is de diversiteit hoog in de hiërarchie en soms zelfs in de lagere rangen van de organisatie moeilijk te vinden.

Daar zit de crux van het probleem. Diversiteit bij de kunstenaars zelf is één zaak, maar wie bepaalt welke kunst het waard is om te produceren of tentoon te stellen? Meestal blijven dat witte mannen van middelbare leeftijd, die in de bestaande vormen van het kunstonderwijs zijn opgeleid – want hoe kan je anders serieus genomen worden om andere kunstenaars te beoordelen. Ze blijven heer en meester over wat wij, luttele kunst- en cultuurconsumenten, te zien krijgen van het brede artistieke veld. Hoe vrij, open van geest en flexibel kan die output dan zijn?

Een tweede concept dat beschouwd kan worden als een van de redenen waarom dekolonisatie in dit tijdperk zo relevant is geworden, is het eurocentrisme. Eurocentrisme kan uitgelegd worden als het privilege om de wereld enkel vanuit het Europese – en dus dominant witte – standpunt waar te nemen. Eurocentrisme in de kunst maakt het mogelijk om bijvoorbeeld de verhalen en culturen van bevolkingen uit verre oorden in een verkozen kunstvorm te brengen, zonder de mensen die oorspronkelijk uit die regio’s komen, te betrekken in de productie of uitwerking van het product. In dit voorbeeld zou dekoloniseren betrekking hebben op mensen uit die bevolkingsgroep in kwestie te betrekken bij het vertellen van een verhaal dat eigen is aan hun cultuur, ervaringen en bewustzijn.

Wanneer kunstinstellingen willen dekoloniseren door samenwerkingen aan te gaan met artiesten en curatoren van diverse afkomst – of dat nu divers is in gender, religie, etnische afkomst of seksuele geaardheid – blijken die verhoudingen vaak tijdelijk te zijn maar ook ongelijk. Een samenwerking impliceert dat er op gelijke voet wordt gewerkt. Maar hoe kan je over gelijkheid spreken wanneer de medewerkers enerzijds deel uitmaken van een gevestigde organisatie en verzekerd zijn van hun loon en bijbehorende voordelen, terwijl de artiest anderzijds na zijn bijdrage vriendelijk wordt gevraagd om op te krassen?

En ja, op papier krijgt die onafhankelijke, freelance artiest, meestal wel de vrijheid om zich artistiek uit te drukken. Maar wie selecteert de kunstenaar? Wie bepaalt dat het onderwerp er een is dat het grote publiek gezien moet hebben en om welke reden?

De participatie van wie niet blank, mannelijk en hetero is, blijft té tijdelijk, té perifeer en té beperkt

Uit de dalende bezoekersaantallen van het AfricaMuseum vóór 2013, bleek dat er hoogdringend iets moest veranderen. Ondanks de goede intenties om de tentoonstelling en de publiekswerking te dekoloniseren, werd de complexiteit ervan nogal onderschat. Des te meer als men rekening houdt met het feit dat de erfgoedgemeenschappen die er rechtsreeks mee in verband staan geen oprechte kans kregen om deel uit te maken van het herwerkte museum. De stap om het personeel zélf diverser te maken bijvoorbeeld bleek te groot om diverse redenen. Zolang medewerkers maar hooggeschoold zijn of veel ervaring hebben met het waarnemen, beoordelen en appreciëren van kunst – of wat als kunst beschouwd moet worden, in hun ogen. Ook andere gevestigde kunstinstituties lijken moeite te hebben met een eerlijke representatie van de maatschappij, waardoor de nood aan strategieën die inclusief zijn hoog blijft.

Het is een verzameling van factoren die ervoor zorgt dat de kunstsector stagneert in zijn missie naar het grote publiek. De instellingen proberen effectief programmaties samen te stellen die moeten beantwoorden aan een snel veranderende samenleving, maar structurele veranderingen zijn er nog te weinig. De participatie van wie niet blank, mannelijk en hetero is, blijft té tijdelijk, té perifeer en té beperkt om op lange termijn een groot verschil te maken. Dekoloniseren begint bij zichzelf in vraag te stellen en durven inzichten te verzamelen en toe te passen van zij die veel te vaak en veel te gemakkelijk gemarginaliseerd worden. Zolang diverse stemmen niet kunnen weerklinken tot in het hart van organisaties, zal dat waarschijnlijk ook zo blijven.

Primrose Ntumba is parlementair assistent bij SP.A Brussel en oud-medewerker van het AfricaMuseum.

Gerelateerde Artikels