Waarom de economische wetenschap nood heeft aan een revolutie

Splinter

13 maart 2018
Splinter
Auteur(s): Lorenzo Buti
Een opinie over navelstaarderij, the Queen en de intellectuele armoede aan de Faculteit Economie. 'Een crisis van wereldomvang legde de naïviteit van een hele wetenschappelijke discipline bloot.'

Op 8 april 2008 – twee maanden na de val van de investeringsbank Lehman Brothers die een globale financiële crisis inluidde – stelde the Queen Elizabeth II de intussen iconisch geworden vraag aan een zaal vol economen: ‘Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat niemand dit had zien aankomen?’ Een uitzonderlijk klein aantal economen had deze crisis inderdaad voorspeld. Een crisis van wereldomvang legde de gezamenlijke naïviteit van een hele wetenschappelijke discipline bloot.

Sinds 2008 is de dominante economische theorie zoals ze vandaag wordt onderzocht en gedoceerd aan universiteiten vanuit verschillende richtingen scherp bekritiseerd. Paul Romer, voormalig hoofdeconoom van de Wereldbank schreef een ophefmakende paper over hoe macro-economen blind blijven voor empirische resultaten die hun modellen tegenspreken en gebrek aan economische inzichten verstoppen achter obscure, generaliserende taal.

Kritische vragen werden niet gesteld noch aangemoedigd

Vragen die niet gesteld (mogen) worden

Uit onvrede met de wijze waarop de economie wordt onderzocht en gedoceerd aan universiteiten wereldwijd creëerde een internationale groep studenten de organisatie Rethinking Economics. De reden? De economische wetenschap aan de universiteit doet te veel aan navelstaarderij, weet prangende economische problemen niet te beantwoorden en weigert iedere vorm van theoretisch pluralisme.

Controverse is een normaal fenomeen binnen iedere academische discipline. De kwaliteit van een discipline hangt af van de manier waarop ze omgaat met deze controverse. Als afgestudeerd Master in de Economische Wetenschappen krijgt de Faculteit Economie aan onze universiteit hieromtrent een zware onvoldoende.

De opleiding blinkt uit in het uit de weg gaan van theoretische controverses. Op enkele uitzonderingen na stelden vakken de economie voor als een sluitend theoretisch geheel waar niet aan getwijfeld kan worden. Kritische vragen werden niet gesteld noch aangemoedigd.

Het gepresenteerde theoretische kader in de Master in de Economische Wetenschappen is overwegend rationalistisch en liberaal. Economische actoren zijn rationele individuen die hun eigen preferenties trachten te maximaliseren. De vraag of deze preferenties in werkelijkheid misschien sociaal en ideologisch tot stand komen, wordt niet gesteld omdat ze de rationele en wetenschappelijke basis van het economisch model zou kunnen aantasten.

De (micro-)economische modellen vertellen ook het gekende liberale riedeltje: de vrije markt is het domein van vrijheid waar de overheid enkel op een storende rol in kan spelen (bij geval van marktfaling, bijvoorbeeld). Alternatieve sociale modellen op het kapitalisme kunnen niet bestaan, alvast volgens de masteropleiding economie. De perverse uitwassen van exorbitante eigendomsverschillen tussen sociale klassen, zoals de financiële crisis en de Europese schuldencrisis sinds 2010, zijn geen onderwerp van discussie. Consumentisme is eveneens een onbestaand probleem, want rationaliteit enzovoort.

De farce bestaat erin dat de opleiding economie haar studenten de intellectuele instrumenten niet aanbiedt om haar modellen bij te sturen wanneer de echte wereld hen confronteert met haar problemen

Een sociale wetenschap

Dat economische modellen zijn gebaseerd op ongeloofwaardige assumpties is op zich geen probleem. De farce bestaat erin dat de opleiding economie haar studenten de intellectuele instrumenten niet aanbiedt om deze modellen bij te sturen wanneer de echte wereld hen confronteert met haar problemen. Iedereen weet dat individuen hun ‘nut’ niet rationeel maximaliseren. Toch blijft het de onbetwiste bouwsteen van ieder vak binnen de economische wetenschap. Wanneer men ons de vraag stelt welk effect dit heeft op ons beeld van de werking van de economie, voelen we ons als kinderen die voor het eerst zonder zwembandjes in het water worden gegooid.

Om deze problemen op te lossen moet de economische wetenschap tot het besef komen dat het geen positieve maar een sociale wetenschap is. Dit betekent dat economen moeten erkennen dat er verscheidene, rivaliserende economische kaders bestaan; dat theorie altijd een directe empirische en sociale component bevat; dat de rol van politiek en ideologie in deze wetenschap serieus moet genomen worden; en dat men theorieën onderwijst met een historische perspectief en dus niet als onveranderlijke natuurwetten.

De kans dat de faculteit grote veranderingen door zal voeren, is miniem. De belangrijkste reden hiervoor is de buitengewone internationalisering van de economische wetenschap. De meest invloedrijke internationale academische tijdschriften wijzen heterodoxe stemmen vakkundig naar de uitgang. De meeste universiteiten in de wereld doceren ook dezelfde (voornamelijk Amerikaanse) handboeken economie, die men niet in vraag mag stellen.

De nodige intellectuele revolutie in het economisch onderwijs is dus nog niet voor morgen, en dat valt enkel te betreuren. Hoeveel financiële crisissen zullen we meemaken voor deze optie serieus wordt genomen? Ondertussen zoekt de rest van ons zijn heil buiten de faculteit, waar sommigen wel oplossingen trachten te vinden voor de meest prangende problemen van onze tijd.

De Splinter bevat een mening van de auteur. Ze bevat niet de mening van de redactie.