De prekaire situatie van de Palestijnse vluchtelingen in Libanon

Palestijnen al halve eeuw in vluchtelingenkampen

Sinds de oprichting van de staat Israël in 1948 zijn bijna een miljoen Palestijnen ontheemd. Door natuurlijke groei is het aantal Palestijnse vluchtelingen intussen tot 3,8 miljoen toegenomen. Een derde van hen leeft in vluchtelingenkampen, waar sommigen al meer dan een halve eeuw verblijven. De vluchtelingenkampen zijn gelegen in de bezette gebieden, in Jordanië, Syrië en Libanon. In dit laatste land is de situatie ongetwijfeld het meest schrijnend.

Onmiddellijk nadat de Verenigde Naties (VN) in november 1947 een plan tot opsplitsing van Palestina aanvaardt, breken er Palestijns-Israëlische gevechten uit. De Palestijnen kunnen zich immers niet vinden in het voorstel van de VN. Terwijl de Joden minder dan een derde van de bevolking van Palestina uitmaken, krijgen ze volgens het VN-plan meer dan de helft van het totale grondgebied en tachtig procent van de vruchtbare grond toebedeeld. Na de uitroeping van de staat Israël op 14 mei 1948 mengen de Egyptische, Jordaanse en Syrische legers zich in het strijdgewoel. Als het in 1949 tot een wapenstilstand komt, heeft Israël zijn grondgebied met een derde weten uit te breiden. De Palestijnse staat, die eveneens door het VN-plan voorzien was, wordt nooit opgericht.
    In de oorlogsperiode 1947-1949 hebben 750 000 Palestijnen hun woningen moeten verlaten: ze zijn het oorlogsgeweld ontvlucht of zijn het slachtoffer geworden van de Israëlische uitdrijvingspolitiek. De gevluchte Palestijnen belanden voornamelijk in de Gaza-strook, op de Westelijke Jordaanoever en in Jordanië, Syrië en Libanon. Als Israël in 1967 de Sinaï-woestijn, de Westelijke Jordaanoever en de Golan-hoogvlakte verovert, komt een eksodus van nog eens 250 000 Palestijnen op gang. Vandaag zijn er 3,8 miljoen Palestijnse vluchtelingen. Anderhalf miljoen van hen verblijven in Jordanië en 1 450 000 in de bezette gebieden. In Libanon en Syrië leven telkens nog eens ongeveer 380 000 Palestijnen in ballingschap.
    De situatie van de vluchtelingen verschilt sterk van land tot land. In Syrië en Jordanië zijn de Palestijnen tot op zekere hoogte in de samenleving geïntegreerd. In Jordanië, dat het grootste aantal Palestijnen opgevangen heeft, maken de Palestijnen de meerderheid van de bevolking uit. Jordanië verleende als enige land het staatsburgerschap aan de opgevangen Palestijnen. In Libanon zijn de Palestijnen er het ergst aan toe. Hun situatie kan niet begrepen worden zonder een blik te werpen op Libanon's recente geschiedenis.

Fragiel

    De vluchtelingen in Libanon zijn hoofdzakelijk afkomstig uit het noorden van Palestina. De meeste van hen ontvluchtten hun dorpen in de jaren 1947-49. Na de Arabisch-Israëlische oorlog richten de VN de UNRWA -- the United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees -- op. Deze instelling neemt de uitbouw en de organisatie van de vluchtelingenkampen op zich. In Libanon worden, verspreid over het gehele land, veertien kampen opgericht.
    Sinds hun aankomst zijn de vluchtelingen aan diskriminerende maatregelen onderworpen. In Libanon zijn immers veel religieuze groeperingen vertegenwoordigd. De kristelijke minderheid bestaat in hoofdzaak uit maronieten en omvat tevens een belangrijke Grieks-orthodoxe gemeenschap. De islamitische meerderheid bestaat vooral uit sji'ieten. De Druzen vormen een aparte religieuze groepering. De komst van honderdduizend Palestijnen dreigt het fragiele politieke machtsevenwicht in Libanon te verstoren. Bovendien vreest Libanon dat te veel Palestijnse strijdlustigheid tot Israëlische vergelding zou kunnen leiden. De Palestijnen worden dan ook aan een strikte kontrole onderworpen.
    Als in 1970 de de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) uit Jordanië moet vluchten en zich in Libanon vestigt, veranderen de zaken. De PLO neemt de bescherming van de Palestijnse vluchtelingen op zich. De Palestijnen organiseren zich en gaan een soort van staat in de staat vormen. De Palestijnse de facto autonomie is een doorn in het oog van de kristelijke en sji'itische gemeenschappen. In de burgeroorlog die in 1975 uitbreekt spelen de Palestijnen een aktieve rol; ze kiezen de zijde van het progressieve kamp.
    In 1982 valt Israël Libanon binnen met de bedoeling de PLO te likwideren. Tijdens deze invasie vinden de massamoorden in Sabra en Chatila plaats en vallen er duizenden burgerslachtoffers. De huidige premier van Israël, Ariel Sharon, is op dat ogenblik minister van Defensie. De verdrijving van de PLO uit Beiroet heeft als gevolg dat de Palestijnen opnieuw aan hun lot overgelaten worden. De burgeroorlog, die tot het begin van de jaren negentig zal duren, zorgt voor grote vernielingen in de kampen.
    Na het einde van de burgeroorlog houdt een groot gedeelte van de Libanese publieke opinie de Palestijnen verantwoordelijk voor het uitbreken van de oorlog. Ze krijgen dan ook de rekening gepresenteerd: ze worden geïsoleerd en van alle rechten uitgesloten. De Libanese politiek lijkt erop gericht hen zo snel mogelijk het land uit te krijgen.

Ein El Helweh

    An Desmet, medewerkster aan het Hoger Instituut voor de Arbeid, bezocht Libanon al meerdere keren. In het kader van een stage verbleef ze vijf maanden in het vluchtelingenkamp Ein El Helweh. Ein El Helweh is het grootste vluchtelingenkamp van Libanon. Het bevindt zich vijfenveertig kilometer ten zuiden van Beiroet. Op een oppervlakte van een vierkante kilometer wonen er meer dan zeventig duizend mensen samen. Het kamp werd opgericht in 1948. De tenten werden al in 1952 vervangen door betonnen konstrukties.
    Om het kamp binnen te komen of buiten te raken moet je drie checkpoints passeren. De buitenste kontrolepost is Syrisch, daarna volgt een Libanese en tenslotte een Palestijnse checkpoint. De Palestijnen willen verhinderen dat de Libanese of Syrische autoriteiten een voet aan de grond krijgen in de kampen. Libanon en Syrië van hun kant willen dan weer de Palestijnen in de gaten houden.
    Eens iemand het kamp binnen geraakt is, wordt men gekonfronteerd met schrijnende toestanden, zo vertelt An Desmet ons. Zestig percent van de Palestijnen in de kampen leeft onder de armoedegrens. De werkloosheid bedraagt -- afhankelijk van de gehanteerde definitie -- tussen veertig en negentig procent. De miserabele ekonomische en sociale omstandigheden hebben alles te maken met de gevoerde Libanese politiek. Een werkvergunning is moeilijk te verkrijgen. Bovendien mogen tweeënzeventig beroepen niet uitgeoefend worden door Palestijnen. Het betreft vooral beroepen waarvoor hogere diploma's vereist zijn. Voor de minder goed betaalde, vaak tijdelijke jobs moeten de Palestijnen konkurreren met vele Syrische gastarbeiders.
    Onderwijs en gezondheidzorg worden in de vluchtelingenkampen georganiseerd door de UNRWA. Sinds 1990 moet de UNRWA het echter met steeds minder middelen stellen. Anders dan de overige VN-organisaties beschikt de UNRWA niet over een stabiele financiering: de VN-instelling is aangewezen op rechtstreekse giften van individuele landen. Ook de PLO schroefde de financiering van haar sociale programma's in Libanon vanaf 1982 steeds verder terug.
    De gevolgen laten zich raden. De scholen in de vluchtelingenkampen hebben een tekort aan lesmateriaal. Door een gebrek aan lokalen wordt er in 'shifts' lesgegeven. Doordat heel wat kinderen moeten werken, is er een hoge 'drop-out'. Slechts weinig Palestijnse jongeren slagen erin toegelaten te worden tot een Libanese universiteit. De ziekenhuizen in de kampen zijn slecht uitgerust en overvol. Tot de Libanese gezondheidzorg hebben de Palestijnen geen toegang.
    Met de woonomstandigheden is het weinig beter gesteld. De Libanese overheid verbiedt de oprichting van nieuwe kampen. De kampen, die tijdens de burgeroorlog verwoest werden, mogen niet opnieuw opgebouwd worden; de bestaande kampen mogen niet uitgebreid worden. Er mogen geen nieuwe huizen opgetrokken worden; bestaande huizen mogen niet verhoogd of verbouwd worden. An Desmet: "Bouwmaterialen -- zelfs nagels --mogen het kamp niet binnengebracht worden. De maatregelen zorgen ervoor dat de bestaande kampen steeds voller raken. Een gezin moet het vaak met een kamer stellen. De watervoorziening, het rioleringsysteem en de afvalophaling laten eveneens te wensen over."
    Over burgerrechten beschikken de Palestijnse vluchtelingen niet. De Palestijnen mogen in Libanon slechts in beperkte mate onroerend goed bezitten. Elke vorm van politieke, syndikale of kulturele organisatie wordt door de Libanese regelgeving zo veel mogelijk verhinderd. Er bestaan wel lokale kommitees die de dagelijkse leiding in de kampen op zich nemen. Een invloed op de Libanese politieke besluitvorming hebben de Palestijnen echter niet.

Terugkeer

    De volledige integratie in de Libanese samenleving is door de Palestijnen even weinig gewenst als door de Libanese bevolking. De Palestijnen beseffen dat een volledige integratie hun aanspraak op het recht op terugkeer -- zoals vastgelegd in de befaamde VN-resolutie 194 -- zou ondergraven. De Libanese overheid misbruikt dit gegeven om de Palestijnen te marginaliseren en hen alle rechten te ontzeggen. Een halve eeuw verbanning heeft het verlangen om naar Palestina terug te keren echter niet doen verdwijnen.
    De symbolische verwijzingen naar het land van herkomst zijn in Ein El Helweh alom tegenwoordig. An Desmet: "De namen van straten en wijken in het kamp verwijzen naar de dorpen waaruit de Palestijnse bewoners meer dan vijftig jaar geleden verdreven zijn. In vele huizen hangen kaarten van Palestina. De koffers liggen gepakt op de kast. De sleutel van het vroegere huis wordt zorgvuldig bewaard".
    Een spoedige terugkeer ligt echter niet in het verschiet. Israël verzet zich hier immers halsstarrig tegen. Over eventuele financiële kompensaties zijn nog geen onderhandelingen gestart.
Bram Thuysbaert


"De koffers liggen gepakt op de kast. De sleutel van het vroegere huis wordt zorgvuldig bewaard"



--- Sluit dit venster ---