Huilen op de badkamervloer

Splinter

26 september 2017
Splinter
Auteur(s): Eva Sevrin
Het is 00:15 in New Delhi en 20:45 in Leuven. Ik zit huilend op de badkamervloer te skypen met Nora. ‘Ik ben gewoon zo bang dat ik niet slim genoeg ga zijn,’ zeg ik steeds opnieuw.

Meer dan vijf maanden eerder hadden Nora en ik net een professor geïnterviewd. Een professor die opmerkte dat zij geen feminist was. Ze legde uit dat ze vond dat vrouwen vandaag de dag alles tegelijk willen. Wij probeerden haar uit te leggen dat mannen dat evengoed wilden.

Neem nu de positie van vrouwen aan de universiteit. Naarmate men de academische ladder beklimt zie je het aantal vrouwen slinken tot enkele procenten. Een deel daarvan is te wijten aan het krijgen van je eigen familie. Halftijds werken is de keuze van veel vrouwen, en van maar weinig mannen.

Maar anderzijds, en dat probeerden we uit te leggen aan de professor in kwestie, komt het ook omdat vrouwen meer wachten. Er is een soort onzekerheid die het eigen kunnen permanent in vraag stelt. ‘Ik ben nog niet goed genoeg’ of ‘Ik kan beter nog een jaartje wachten, wat meer ervaring opdoen.’ Dit terwijl mannelijke collega’s met vergelijkbare profielen wél die promotie durven aanvragen of wél zichzelf klaar zien voor een volgende stap.

Andere voorbeelden zijn legio. Meisjes durven hun handen minder snel dan jongens opsteken in de aula. Bij meerkeuzevragen durven ze minder gauw te gokken dan jongens, wat hun uiteindelijke resultaten negatief beïnvloedt. Niet omdat ze tekortschieten qua intelligentie en capaciteiten - nee, omdat die gratuite zelfzekerheid ontbreekt.

‘Ja, dat klopt wel,’ vertelt de professor, ‘de enige reden dat ik in de academische wereld ben verder gegaan is omdat ik zo’n goede mentors had. Mensen die echt zeiden ‘je kán het, je móét dit doen.’ Ze gebruikte het woord ‘hefbomen’. ‘Vrouwen hebben misschien inderdaad meer hefbomen nodig.’

'Tot ik echt goed genoeg ben.'

We kwamen buiten, Nora en ik, zoals zo vaak blij en voldaan met het gesprek en de kansen die we door onze engagementen krijgen. ‘Ik wil gewoon nog een aantal jaren wachten,’ zegt Nora. ‘Tot ik echt goed genoeg ben.’ Het gaat over haar twijfels om hoofdredacteur bij Veto te worden.

Wanneer we twijfelen of we ‘goed genoeg’ zijn, geven we een heel andere betekenis aan die twee woorden. We hebben het gevoel dat er misschien iemand anders beter, slimmer, vindingrijker of capabeler is.

En het punt is dat dat ook waarschijnlijk het geval is. De kans is groot dat iemand, ergens op deze wereld, beter is. De kans is groot dat wij niet de besten zijn en ook nooit gaan zijn. Maar dat is nooit de definitie geweest van ‘goed genoeg’.

Meisjes groeien vaker dan jongens op met aanmaningen tot voorzichtigheid. Aanmaningen tot netjes zijn, je te gedragen en niet te bruusk te zijn. Alsof fouten nét iets erger zijn wanneer je toevallig met twee X-chromosomen geboren bent. Wanneer we wachten tot we de allerbeste zijn, kunnen we eeuwig wachten. Je angst om feilbaar te zijn mag je nooit verlammen om vooruit te gaan.

Daarom is het belangrijk om je hefbomen te zoeken. Iemand die je in het midden van de nacht vanuit New Delhi kan bellen om gewoon te zeggen ‘Ik ben bang dat ik niet goed genoeg ben’. En vooral: probeer een hefboom voor anderen te zijn. Kijk naar alle getalenteerde jongeren rond je, en probeer hen te laten zien wat jij ziet. Want dat kunnen we niet altijd even goed zelf.