Armen en vreemden

Splinter

09 april 2016
Splinter
Auteur(s): Evelyne Van Hecke
Ik ben opgegroeid in een wijk vol mensen die armoede erfden of er door het noodlot in belandden. In een stad waar ouders hun kinderen gebieden: “Je mag niet met uitschot uit die wijk trouwen.”

Het werd niet steeds luidop gezegd tegen ons, maar we voelden die uitsluiting wel.

Ik begrijp het. Wat ik heb gezien en meegemaakt in onze voornamelijk blanke “getto” lijkt surreëel. Drugs tierden er welig, criminele jongerenbendes werden gevormd achter de rug van onze ouders. Het waren vrienden van mij. Tegelijk wilde ik er niks mee te maken hebben. Ik nam amper vrienden mee naar huis uit mijn ASO-klas vol kinderen van respectabele ouders, omdat ik me schaamde. Ook al ben ik een volbloed Vlaming, ik voelde me nergens thuis.

De meeste mensen in onze wijk willen vooruit en blijven eraan werken. Zo werd er een buurtcomité opgericht, dat een buurthuis bouwde. Mensen bij elkaar brengen leek de oplossing om de wijk op te waarderen. Dat was ook zo.

Helaas waren er jongeren die het buurthuis in brand staken. Ze beschadigden en stalen wel vaker bij hun buren en daarbuiten. Waarom deden ze dat? Ik denk omdat velen zich onnuttig voelden en dat kwaad uithalen het gevoel geeft dat ze toch effect hebben op de wereld. Ik denk dat omdat ik zelf bijna die glijbaan was afgegaan.

Dat we effect kunnen hebben en dat iedereen gelijk is, was het theoretische mantra op school. Alleen wordt er nooit verteld dat wij veel meer obstakels voor ons hebben liggen om succes te hebben, aanvaard te worden, ook door onze school. En dat wordt zelden erkend. Het is moeilijk om jezelf te waarderen als niemand het je voordoet. Vaak kunnen onze ouders dat ook niet.

Sommigen zitten nu in een cel, als crimineel of als verslaafde. Het is die realiteit die me doet beseffen dat wij, met de juiste cocktail aan omstandigheden, overtuigd hadden kunnen worden om voor IS te strijden. Bij de meesten bleef het bij puberstreken.

Dat is de reden waarom ik niet kan terugvallen op een racistisch discours. Omdat allochtonen, net zoals wij, er niet helemaal bij horen. Wees dan maar eens kansarm én allochtoon. We worden bij voorbaat aan de kant gezet als nutteloos, minderwaardig of zelfs gevaarlijk. Maar wie ben jij om mij te beoordelen, op te geven of zelfs te verjagen zonder mijn realiteit te kennen? De wereld is oneerlijk en wij hebben weinig kapitaal om dat te overkomen. Of je legt je erbij neer (profiteur/verslaafde). Of je wordt er woedend van. Soms wordt die woede omgezet in verkeerde daden (crimineel). Anderen zetten die om in een succesvolle carrière (verkeerd bewijs van een werkend systeem).

Ik werk om te overleven en om te bewijzen dat ik geen uitschot ben. Velen in mijn wijk doen dat, alleen is niet iedereen er goed in. En die klasgenoten van mij, die staan ogenschijnlijk veel verder dan ik. Al werk ik minstens even hard. Om écht iets te kunnen maken van jezelf heb je kapitaal nodig en dat heb ik niet.

Gelukkig heb ik een cocktail aan omstandigheden gekregen die me nog niet deed verzuipen of afglijden. Om dan alleen verantwoordelijk gesteld te worden voor mislukking of succes, dat maakt mij kwaad. Niet iedereen valt in de gaten van onze maatschappij, maar iedereen kan er wel in verdwijnen. Sommigen worden in zo’n gat geboren. Er zijn niet veel plekken, misschien zelfs geen, waar kinderen uit een wijk zoals de onze hun verdriet en frustratie kwijt kunnen en begrip en waardering krijgen, noch hun ouders. Dat wordt nu nog afgebouwd en dat zal kwaad erger maken.