30% CSE-regel weigert studenten met diversiteitskenmerken (en dat is terecht)

Cijferanalyse van de KU Leuven lijkt nut 30% CSE te bevestigen

12 December 2017
Artikel
Auteur(s): Nora Sleiderink
De 30% CSE-regel van de KU Leuven kan op veel kritiek rekenen. Veel studenten met diversiteitskenmerken worden door deze regel uiteindelijk geweigerd. Maar dat is zelden onterecht, blijkt uit analyse.

Het is al een tijdje uitkijken naar de effecten van de 30% CSE-maatregel. Deze regel stelt dat starters die een lagere studie-efficiëntie heeft dan 30%, zich niet opnieuw mag inschrijven in dezelfde richting aan de KU Leuven. Concreet betekent dat voor een doorsnee student: geslaagd zijn op minder dan 18 studiepunten na tweede zit, pakweg drie grote vakken dus. De maatregel werd tijdens academiejaar ‘15-’16 ingevoerd. In september 2016 werd de grote impact van de regel duidelijk: 26,9% van de eerstejaarsstudenten werd geweigerd. Over de faculteiten heen waren de verschillen enorm: bij Theologie bedroeg het slechts 10% van de studenten, bij Rechtsgeleerdheid 40%.

Die hoge weigeringsgraad kon op veel kritiek rekenen binnen en buiten de universiteit. Velen meenden dat de regel ondemocratisch was, omdat die vooral studenten met diversiteitskenmerken zou treffen. Zij zouden meer aanpassingstijd nodig hebben in het hoger onderwijs en dus onterecht geweigerd worden.

Kansengroepen worden significant vaker getroffen door de 30% CSE-regel

Diversiteit

Daar zit de nieuwe rectorsploeg verveeld mee. De cijfers voor 2017 zijn vooralsnog niet aan de pers meegedeeld, maar vicerector Onderwijsbeleid Tine Baelmans liet al optekenen dat de cijfers in lijn zitten met 2016. Interessanter is dat de ploeg daarom de cijfers heeft geanalyseerd op die diversiteitskenmerken. De universiteit onderzocht of studenten met diversiteitskenmerken vaker, en indien zo, ook onterecht geraakt worden door de regel.

Cijfermatig werden enkel de generatiestudenten bekeken en niet de grotere groep startende bachelorstudenten. Zo worden studenten die bijvoorbeeld al een diploma hebben niet onterecht mee in rekening genomen. Dat verklaart de lage cijfers in pakweg Theologie, waar vele studenten al een ander diploma hebben. Dat geeft een heel ander beeld dan de cijfers van vorig jaar: de groep wordt in de analyse al zodanig beperkt dat nog maar 19,6%, en niet 26,9%, wordt geweigerd.

Tien factoren worden als diversiteitskenmerk beschouwd: zo werden de cijfers gefilterd naar vooropleiding, herkomst, functiebeperking en moedertaal. Ook werden de resultaten gescreend op bijzondere socio-economische kenmerken (BSEK). Zo werd dus nagegaan of pioniersstudenten (waarbij geen van beide ouders hoger onderwijs heeft gevolgd, red.) en studenten met een studiebeurs vaker te maken krijgen met een weigering op grond van 30% CSE. Ook mannen werden als kansengroep beschouwd: vroeger onderzoek toont aan dat zij een stuk slechter presteren in het hoger onderwijs.

Vooral het hebben van een niet-West-Europese migratieachtergrond is doorslaggevend: ruim 38,2% van die groep studenten wordt geweigerd

Vals positief

Uit de cijfers blijkt dat kansengroepen inderdaad significant vaker worden getroffen door de regel. Enkel het hebben van een functiebeperking lijkt niet bepalend om geweigerd te worden. Vooral het hebben van een niet-West-Europese migratieachtergrond is doorslaggevend: ruim 38,2% van die groep studenten wordt geweigerd. Dat is meer dan het dubbele van de groep zonder migratieachtergrond, waar 17,7% met de maatregel wordt geconfronteerd. Ook vooropleiding blijkt een goede voorspeller: 17,0% van de ASO-leerlingen wordt geweigerd, tegenover 34,7% van de studenten die uit KSO, TSO of BSO komen. Beursstudenten (29,4% tegenover 17,8%) en pioniersstudenten (27,2% tegenover 17,4%) vervolgen het lijstje.

Het is dus duidelijk dat deze groepen vaker te maken krijgen met de maatregel. Belangrijker is de vraag of dit ook terecht is. Met andere woorden: of deze studenten zonder de maatregel eigenlijk wel hun diploma zouden behaald hebben (‘vals positief’).

De KU Leuven is daarvoor gaan vergelijken met gegevens uit het verleden, waarbij werd gekeken hoeveel van de generatiestudenten vijf jaar na instroom over het bachelordiploma van de startopleiding beschikken. Van hen zou een luttele 1,8% uiteindelijk het diploma hebben behaald en dus onterecht geweigerd zijn.

Studenten met diversiteitskenmerken worden niet vaker onterecht geweigerd

Evidence-based

Uit de analyse blijkt dat studenten met diversiteitskenmerken niet vaker onterecht geweigerd worden: voor alle factoren scoren zij rond het gemiddelde van 1,8% slaagkans. Enkel bij geslacht, vooropleiding en studieniveau van de ouders worden verschillen opgemerkt, zij het in omgekeerde richting. Juist vrouwen, ASO-studenten en niet-pioniers worden vaker geweigerd, terwijl ze uiteindelijk hun bachelor wel nog hadden kunnen behalen binnen de vijf jaar.

Conclusie: studenten met diversiteitskenmerken worden vaker getroffen door de maatregel, maar zouden zonder de regel even weinig (als niet minder) slaagkans hebben gekend in hun verdere studieloopbaan. Het onderzoek kadert alvast in de visie van rector Luc Sels. In zijn verkiezingsinterview van vorig jaar benadrukte hij in het kader van 30% CSE het belang van evidence-based beslissingen.